‘Dood­gaan in het ver­keer is niet moei­lijk. Het le­ven her­vat­ten wel’

VAN DE WEG GEMAAID Fiets­slacht­of­fers over hun on­zicht­baar leed

De Standaard - - Front Page - INE RENSON

Het was een dood­ge­wo­ne za­ter­dag­voor­mid­dag, die 22ste fe­bru­a­ri 2014, toen Emelie Hel­ler (34) in Ant­wer­pen op de fiets stap­te en naar haar ou­ders in Sta­broek reed. Iets voor de mid­dag ging daar de bel. Niet Emelie, maar de po­li­tie stond aan de deur. Om haar ou­ders te ver­tel­len dat hun doch­ter een on­ge­val had ge­had en in kri­tie­ke toe­stand naar het zie­ken­huis was ge­bracht.

‘Ik werd op­ge­schept door een wa­gen en me­ters door de lucht ge­slin­gerd’, ver­telt ze. ‘Op de Leu­gen­berg, de brug over de spoor­weg in Eke­ren. Ik heb die rou­te on­tel­ba­re ke­ren ge­fietst. Je staat er niet bij stil dat er iets kan ge­beu­ren.’ Maar toch: een 41­ja­ri­ge vrouw kreeg ach­ter het stuur een epi­lep­sie­aan­val. Ze ver­loor de con­tro­le, raak­te eerst Emelie, ver­vol­gens Da­vid – een ken­nis van Emelie die toe­val­lig ook over die brug reed – en kwam tot stil­stand te­gen een wa­gen. Da­vid was op slag dood. De man in de an­de­re au­to over­leed la­ter aan de ge­vol­gen van een her­sen­bloe­ding. Emelie vocht voor haar le­ven.

‘Ik kroop door het oog van de naald’, ver­telt Emelie nu, drie­ën­half jaar la­ter. ‘Ik had bloe­din­gen en kwet­su­ren in de her­se­nen, twee ver­brij­zel­de rug­gen­wer­vels en de pe­zen van mijn schou­der­blad wa­ren ge­raakt.’ Pas na twee we­ken kwam ze bij be­wust­zijn. Ze leef­de, maar moest al­les op­nieuw le­ren: lo­pen, pra­ten, eten, be­we­gen.

‘In het be­gin denk je: waar­om? Waar­om ik? Maar ik be­slis­te snel me daar­mee niet be­zig te hou­den. Het is nut­te­lo­ze ener­gie.’ Ze trok zich op aan haar vrien­den en fa­mi­lie, en aan de po­si­tie­ve vi­be op de jon­ge­ren­af­de­ling van het re­va­li­da­tie­cen­trum: ‘Ie­der­een had vre­se­lij­ke din­gen mee­ge­maakt, en de wils­kracht om er iets van te ma­ken.’

Na vijf maan­den re­va­li­de­ren kon Emelie weer op ei­gen be­nen staan. Nog een half­jaar la­ter ging ze op­nieuw aan de slag bij haar werk­ge­ver Velt (Ver­e­ni­ging voor Eco­lo­gisch Le­ven en Tui­nie­ren). Half­tijds, met over­heids­sub­si­dies. Meer zit er ver­moe­de­lijk niet in.

Ter­wijl ze zit te ver­tel­len in haar so­fa in Ant­wer­pen, lijkt er wei­nig aan de hand. Ze glim­lacht. ‘Schijn be­driegt. Het blijft heel las­tig. Er is de Emelie van voor en de Emelie van na het on­ge­val. Nie­mand be­grijpt echt wat je door­maakt. Ik heb zo­veel ge­luk ge­had. Ik had in co­ma kun­nen blij­ven. Was ik een mil­li­me­ter ver­der ge­ raakt op mijn rug­gen­wer­vels, was ik waar­schijn­lijk ver­lamd ge­weest. Dat doet wat met een mens, het be­sef dat het soms een kwes­tie van een mil­li­me­ter is.’

‘Ik heb geen angst om op­nieuw met de fiets te rij­den. Dood­gaan in het ver­keer is niet moei­lijk. Het le­ven her­vat­ten wel. Ik word de he­le tijd ge­con­fron­teerd met wat ik níét meer kan. De rech­ter­kant van mijn li­chaam wil niet goed mee. Ik kan maar moei­zaam schrij­ven, ook ty­pen lukt am­per. Ik moet mijn rech­ter­been for­ce­ren tij­dens het stap­pen. Ik ben snel moe, heb vaak he­vi­ge hoofd­pijn en kan min­der goed te­gen prik­kels. Je zelf­beeld krijgt een deuk, ter­wijl je net zo­veel kracht no­dig hebt om je er­door te sleu­ren.’

‘Voor de bui­ten­we­reld ben ik won­der­baar­lijk her­re­zen. Ik bén ook blij dat ik er nog ben, in de­ze toe­stand. Maar eens uit de vei­li­ge co­con van het re­va­li­da­tie­cen­trum, word je weer in het le­ven ge­gooid. Ik liep hier rond in de buurt, ik her­ken­de de stra­ten, en toch was het als­of ik er voor de eer­ste keer kwam. Je bent vol­le­dig ge­re­boot. Ik re­a­geer niet zo snel als ik zou wil­len. Men­sen ver­wach­ten dat wel, na een tijd. Dat on­ge­val is ruim drie jaar ge­le­den. Je staat er weer, toch? Maar het is nooit voor­bij. Nu merk ik hoe on­ver­schil­lig de maat­schap­pij soms is. En hoe hard voor wie moei­te heeft met het hel­se tem­po.’

Ze voelt ook zelf die drang, zegt ze: om te be­wij­zen dat ze wel weer de vrouw kan zijn van vroe­ger, ook al weet ze best dat dat een il­lu­sie is.

‘Ik deed mee aan de Ant­werp­se La­dies Run. Vijf ki­lo­me­ter hard­lo­pen. Een over­win­ning op me­zelf. Ik wil­de ook zo snel mo­ge­lijk weer gaan wer­ken. Ik hoop dat ik dat kan blij­ven doen. De angst blijft. Zul­len ze me nog wil­len straks? Hoe ga ik evo­lu­e­ren?’

Er is één bo­nus, zegt ze: het be­sef hoe waar­de­vol het le­ven is. ‘Een cli­ché. Je hoort dat vaak bij men­sen die ra­ke­lings aan de dood ont­snap­ten: ik doe voor­al de din­gen die ik echt wil doen. Maar ik zou het nooit meer wil­len mee­ma­ken. We be­sef­fen te wei­nig hoe ge­vaar­lijk het ver­keer is. Hoe kwets­baar we zijn. Dat is ook wat ik ver­tel als ik voor Rond­punt, een lot­ge­no­ten­or­ga­ni­sa­tie, ga pra­ten op scho­len of in be­drij­ven: jon­gens, let op. Het kan zo snel ge­daan zijn. Be­sef dat ook, als je met de au­to rijdt: in een flits kun je ie­mands he­le le­ven over­hoop ha­len.’

‘Dat doet wat met een mens, het be­sef dat het soms een kwes­tie van een mil­li­me­ter is’

Emelie Hel­ler: ‘Nu merk ik hoe on­ver­schil­lig de maat­schap­pij soms is.’ © Katrijn Van Giel

Newspapers in Dutch

Newspapers from Belgium

© PressReader. All rights reserved.