Ko­nink­lij­ke schen­king voelt als kren­king

De Standaard - - Revue - JO VAN DAM­ME

‘Schat, waar heb je mijn DNA ge­legd?’, riep de ko­ning der Bel­gen va­nop de gang. In de klei­ne sa­lon keek Ma­thil­de op van haar bor­duur­werk­je. ‘Waar ik het heb ge­legd? Waar zou ik in gods­naam jouw DNA voor no­dig heb­ben? Kijk eens in de bad­ka­mer, on­der de was­ta­fel. Of in het be­zem­hok. Wat ben je er­mee van plan mis­schien?’ ‘Waar­mee?’

‘Met je DNA!’

Ko­ning Fi­lip vond dat met al­le res­pect wel een beet­je een domme vraag van zijn echt­ge­no­te. Las ze dan geen kran­ten? De pers had het al da­gen­lang over Delp­hi­ne Bo­ël, die of­fi­ci­eel wil­de ho­ren dat Al­bert II haar bi­o­lo­gi­sche va­der was. De re­cen­te uit­spraak van het Brus­sel­se hof was on­dub­bel­zin­nig: drie maan­den kreeg het vo­ri­ge staats­hoofd nog om met de ge­vraag­de er­fe­lij­ ke in­for­ma­tie voor de dag te ko­men.

‘Het is een kwes­tie van tijd eer ze hier ook ko­men aan­klop­pen’, voel­de Fi­lip aan zijn wa­ter, on­der­tus­sen als een gek zijn nacht­kast­je on­der­ste­bo­ven ke­rend. ‘Straks moet heel de fa­mi­lie er­ aan ge­lo­ven. Maar als het zo ver komt, van mij kun­nen ze direct krij­gen wat ze wil­len, zo­veel ze wil­len.’

‘Wát kun­nen ze krij­gen?’, riep Ma­thil­de te­rug.

‘Mijn DNA. Als ik het te­rug­vind.’ ‘Slin­gert het niet er­gens rond in je werk­ka­mer?’

De vorst slaak­te een ver­moei­de zucht. De he­le zaak er­ger­de hem al lan­ger dan van­daag ma­te­loos. Hij had vol­strekt niets te­gen Delp­hi­ne: pa­ten­te ‘Ma­thil­de, meid, dans­te vroe­ger op blo­te voe­ten, je kent het gen­re wel. Een kei in arm­wor­ste­len ook, her­in­ner­de hij zich van tuin­feest­jes uit hun kin­der­tijd. Spij­tig mis­schien van dat pa­pier­ma­ché ge­doe van haar en dat kin­der­ach­tig klie­der­werk, maar wat kan je ver­wach­ten van een kind dat op­groeit met ve­le ke­ren meer geld dan ta­lent? Kop­pig was ze ook, van wie zou ze dat heb­ben? Maar waar ze ooit het waan­idee van­daan had ge­haald dat de fa­mi­lie­feest­jes bij de Van Sak­sen­Co­burg­jes ge­zel­li­ger wa­ren dan die bij de Bo­ël­le­tjes, dat mocht Joost/Jos­se we­ten.

Dat ze het DNA van meer dan één va­der wil­de, was een fri­vo­le ge­dach­te die je haar mis­schien niet kon ont­zeg­gen. Als Al­bert van zijn kant even­wel oor­deel­de dat hij op zijn ou­de dag een beet­je zui­nig moest om­sprin­gen met zijn desoxy­ri­bo­nu­cle­ï­ne­zuur, dan was dat ook zijn recht. Voor bei­de stand­pun­ten was be­grip op te bren­gen. Zij wil­de zo graag nog eens op Al­berts schoot zit­ten en pa­paatje te­gen hem kun­nen zeg­gen. Hij had wel­licht niets te­gen een ex­tra doch­ter, maar wil­de – voor­na­me­lijk uit pe­da­go­gi­sche over­we­gin­gen – niet zon­der slag of stoot toe­ge­ven aan de gril­len van een aan­dachts­ziek kind.

Wat Fi­lip in heel de­ze DNA­ope­ret­te nog het mees­te stoor­de, was het ge­brek aan res­pect voor pri­va­cy waar­aan zijn fa­mi­lie werd bloot­ge­steld. Ook in de bes­te krin­gen moest al eens een me­nings­ver­schil kun­nen be­staan zon­der dat dit breed uit­ge­smeerd werd in de pers. Als de ene al eens het DNA van ‘Daar ant­woord ik zelfs niet op, Fi­lip.’ de an­de­re be­geer­de, dan werd dat bin­nens­huis ge­re­geld. Maar voor (al dan niet ver­meen­de) le­den van de ko­nink­lij­ke fa­mi­lie gold die re­gel blijk­baar niet. Er was in­mid­dels al zo­veel ca­su­al da­ma­ge voor de Bel­gi­sche mo­nar­chie dat zelfs de vu­rig­ste re­pu­bli­kein zich met deer­nis be­gon af te vra­gen wel­ke lij­ken er in Laken nog uit de kast zou­den val­len.

‘Ma­thil­de, ón­ze kin­de­ren zijn toch ze­ker wel …?’

‘Daar ant­woord ik zelfs niet op, Fi­lip.’

Het bui­ten­land ver­kneu­kel­de zich ook in de zo­veel­ste his­toi­re Bel­ge. Wer­ ke­lijk al­les werd er weer bij­ge­sleurd. De avon­tu­ren van prins Lau­rent wer­den nog maar eens op­ge­ra­keld. De over­ga­ve aan de na­zi’s van Le­o­pold III was mo­ge­lijk wel een voor­te­ken ge­weest. Het kon niet lang meer du­ren voor­al­eer ook Le­o­pold II er iets mee te ma­ken had.

Laatst­ge­noem­de be­zorg­de ko­ning Fi­lip de­zer da­gen so­wie­so al kop­zor­gen. Bin­nen­kort zou het Afrika­mu­se­um in Ter­vu­ren wor­den her­o­pend, na door­ge­dre­ven re­no­va­tie en he­vig po­li­tiek cor­rect denk­werk. Het lag in de lijn van de ver­wach­tin­gen dat de zes­de ko­ning der Bel­gen aan­we­zig zou zijn op de fees­te­lijk­he­den die daar­mee ge­paard gin­gen. Maar zou hij wel in­gaan op de in­vi­ta­tie? Mo­ge­lijk zou hij die dag wel ge­con­fron­teerd wor­den met open­lij­ke kri­tiek op de mis­da­den van Le­o­pold II in Con­go. Daar keek Fi­lip niet be­paald naar uit. On­ze vorst was van na­tu­re een con­flict­ver­mij­dend per­soon. Maar an­der­zijds le­ken hem de fei­ten nu on­der­hand wel ver­jaard. Hij kon toch niet tot in de eeu­wig­heid door het stof blij­ven krui­pen om wat zijn ver­re voor­va­de­ren in de ko­lo­ni­a­le tijd had­den mis­peu­terd? Ver­ge­ven en ver­ge­ten was mis­schien niet het meest toe­pas­se­lij­ke de­vies als je het over on­tel­ba­re do­den en af­ge­hak­te han­den en voe­ten had, maar kon de her­o­pe­ning van dit prach­ti­ge mu­se­um niet juist het be­gin zijn van een mooi, nieuw hoofd­stuk?

‘Ik zou er maar niet op re­ke­nen’, zei Ma­thil­de zon­der van haar bor­duur­werk­je op te kij­ken. ‘De Con­go­le­zen zijn nu al kwaad om­dat er nog een stand­beeld van Le­o­pold II in het mu­se­um­park staat.’

‘Dan zet­ten we daar toch een plak­kaat voor met een stich­tend woord­je uit­leg?’, stel­de Fi­lip als op­los­sing voor.

‘Ze zijn ook slecht­ge­zind om­dat er op het me­nu van het mu­se­um­res­tau­rant zo wei­nig Afri­kaan­se ge­rech­ten staan.’

‘Kip mo­am­be is toch Afri­kaans?’ ‘Ja, maar piz­za, ko­nin­gin­nen­hap­je en de vijf­tig an­de­re ge­rech­ten op de kaart niet’, zei de ko­nin­gin droog­jes. ‘Bo­ven­dien is de di­rec­teur van het mu­se­um een wit­te Belg. De Afri­ka­nen zeg­gen: de dag waar­op het Afrika­mu­se­um een zwar­te di­rec­teur krijgt, dát zal pas een goe­de dag zijn.’

De ko­ning moest daar om glim­la­chen, zij het op de hem ty­pe­ren­de min­za­me wij­ze. ‘Wat wordt het vol­gen­de? Dat ze op­eens aan­spraak ma­ken op een zwar­te Bel­gi­sche ko­ning?’ Een licht­post­ko­lo­ni­aal grap­je, maar bin­nen het col­lo­que sin­gu­lier van pa­leis en hu­we­lijk moest dat wel kun­nen.

‘Pas op, met DNA kun­nen ze te­gen­woor­dig veel be­wij­zen’, merk­te Ma­thil­de ar­ge­loos op.

Plots­klaps trok al het bloed weg uit Fi­lips hoofd. Parbleu, óók waar: wan­neer en hoe vaak was zijn va­der wel niet in Con­go dan wel Za­ï­re ‘op mis­sie’ ge­weest? Hoe dan ook, on­ze vorst zou geen en­kel ri­si­co ne­men. Als er straks werd aan­ge­beld met het ver­zoek om een beet­je van zijn DNA af te staan, zou zijn ant­woord re­so­luut lui­den: ‘On a dé­jà don­né. We heb­ben al ge­ge­ven.’

‘Spij­tig mis­schien van dat pa­pier­ma­ché ge­doe en dat kin­der­ach­tig klie­der­werk, maar wat kan je ver­wach­ten van een kind dat op­groeit met ve­le ke­ren meer geld dan ta­lent?’

© belgaimage

ón­ze kin­de­ren zijn toch ze­ker wel …?’

Newspapers in Dutch

Newspapers from Belgium

© PressReader. All rights reserved.