“Het pakt me el­ke keer als mijn doch­ter mijn lied­je op de ra­dio her­kent”

Gazet van Antwerpen Mechelen-Lier - - Voorzijde Pagina -

Zeld­zaam zijn de ar­ties­ten die een ge­brek aan ego zo on­ge­brei­deld com­bi­ne­ren met een gui­ti­ge blik en een ka­mer­bre­de lach. Regi Penx­ten heeft voor het eerst in zijn so­lo­car­ri­è­re een num­mer 1-hit. “En ik ben daar zo blij mee als een klein kind. Voor­al om­dat ik goed be­sef dat het mor­gen niet meer zo zal zijn.”

Re­gi­nald Paul Ste­fan Penx­ten – ● Regi voor de vrien­den – is 41 en tok­kelt op zijn over­maat­se te­le­foon, een en al con­cen­tra­tie. “Ik heb een be­drijf te run­nen, he.” En hij lacht. Breed en luid, zo­als hij dat kan. Hij heeft net het nieuws ge­kre­gen dat zijn cre­a­tie Whe­re Did You Go (Sum­mer Lo­ve) nog al­tijd de best­ver­koch­te plaat van het land is. “Al de vier­de week op 1. Het zou in som­mi­ge krin­gen goed staan om te zeg­gen dat het mij niets doet. Maar zo bla­sé ben ik niet. Ik ben zo blij als een klein kind. Ook al om­dat ik goed be­sef dat het mor­gen niet meer zo zal zijn. Zo’n num­mer 1-hit, dat maakt me ge­luk­kig. Ik heb er heel veel zweet in ge­sto­ken. We heb­ben er van fe­bru­a­ri tot april aan ge­werkt. Ik ge­niet daar­van.”

Heel gek moet je toch niet ● doen om in dit klei­ne hoek­je van de we­reld op 1 te staan.

Pas op, de markt is hier niet groot, maar zo veel Vlaam­se ar­ties­ten staan niet meer in de Ul­tra­top, hoor. Ik vind het voor­al heel leuk dat mijn mu­ziek tot bij de men­sen ge­raakt en ze dat ap­pre­ci­ë­ren.

Is dat het hoog­ste goed? ●

Als ar­tiest? Ze­ker. Ik wil de men­sen be­rei­ken. Het is de max als je op el­ke ra­dio te ho­ren bent. Daar doe je het voor. Mu­ziek­jes ma­ken die de men­sen graag ho­ren, is mijn pas­sie en mijn le­ven. Ik kan niets an­ders. Het is wat ik het lief­ste doe en ik wil dat zo lang mo­ge­lijk blij­ven doen. Ik heb het ge­luk dat ik een smaak heb die de groot­ste ge­me­ne de­ler is. Wat ik graag hoor, ho­ren heel veel men­sen graag. Ik zou nooit iets ma­ken dat ik zelf maar niets vind, maar dat mis­schien wel com­mer­ci­eel in­te­res­sant kan zijn. Het mooi­ste com­pli­ment vind ik nog al­tijd dat ie­der­een ver­won­derd is dat Whe­re Did You Go (Sum­mer Lo­ve) van mij is. Het is heel on-Regi, zeg­gen ze dan. Ik ben niet graag on­der één pet te van­gen.

Geldt dat ook voor het le­ven ● bui­ten de mu­ziek?

Ja. Ik zeg al­tijd mijn ge­dacht. Niet zo on­ge­zou­ten als ik dat thuis zou doen in ge­zel­schap na een fles wijn. Maar al­tijd op ei­e­ren lo­pen om toch maar nie­mand voor het hoofd te sto­ten, moet heel ver­moei­end zijn, denk ik. Ik ben niet zo’n ta­fel­sprin­ger met een uit­ge­spro­ken me­ning, maar ik buig niet graag.

Heb je er ooit bij stil­ge­staan ● dat je wel heel erg veel ge­luk hebt in je le­ven? Je doet je zin en ver­dient daar een fij­ne bo­ter­ham mee.

Con­stant. Ik be­sef dat ik een zon­dags­kind ben en ik ben daar bang van. Mijn mu­ziek scoort goed, ik heb een prach­tig ge­zin, ik voel me ge­luk­kig… Het is bij­na gê­nant. En dan moet je we­ten dat ik ei­gen­lijk een doem­den­ker ben. Ik denk al­tijd dat al dat ge­luk on­mo­ge­lijk kan blij­ven du­ren. Toen we met Milk Inc. het Sport­pa­leis zo veel keer na el­kaar vul­den, dacht ik el­ke keer weer dat het de laat­ste keer was. Op het hoofd­po­di­um van To­mor­row­land: net het­zelf­de. En nu weer: die pla­ti­na plaat zal ik maar koes­te­ren, want ik zal er geen meer krij­gen. Ik weet niet hoe dat komt. De Gro­te Bo­ze Wolf zal toch ooit wel eens aan mijn deur ko­men klop­pen. Dat kan niet an­ders. Daar­om be­schouw ik dat suc­ces en dat ge­luk ook niet als van­zelf­spre­kend. Ik heb rond­om mij wel an­de­re din­gen ge­zien. Ik ga er niet licht mee om.

Je doelt wel­licht op de vre­se­lij­ke ● din­gen die je Milk Inc.-part­ner Lin­da Mer­tens is over­ko­men. Ze ver­loor haar doch­ter­tje van 2,5 aan kan­ker.

(stil) Dat is zo fun­da­men­teel on­eer­lijk. Het is vre­se­lijk om te zien hoe cru het le­ven kan zijn. Als ik al niet stil­stond bij het feit dat ik een zon­dags­kind ben, dan is dat nu heel ze­ker wel het ge­val. Wat Lin­da heeft mee­ge­maakt, zou nooit of­te nooit mo­gen ge­beu­ren.

Ga je daar­door ook zelf an­ders ● kij­ken naar de zin van al­les?

Na­tuur­lijk. Ze­ker als je zelf kin­de­ren hebt. Ik had daar­voor nooit groot leed ge­zien, ook niet bij mijn vrien­den. En dan ge­beurt zo­iets. Dan gaan je ogen toch wel open, hoor. Ik wens me­zelf geen mi­se­rie toe, maar ik zie mijn ge­luk niet als iets van­zelf­spre­kends. Ik ge­niet nu nog meer van mijn kin­de­ren en van al­les wat op mijn pad komt. Er is in we­zen maar één ding van het al­ler­groot­ste be­lang: dat je ge­zond bent. En dat je ge­luk­kig bent met wat je doet. En met wat je hebt. Ik heb on­ge­loof­lijk veel ge­luk dat El­ke zo’n schit­te­ren­de vrouw is die goed voor ons ge­zin zorgt. Ik zou het niet kun­nen doen, mocht zij me niet el­ke dag op­nieuw zo steu­nen.

Wat zou er van je ge­wor­den ● zijn zon­der mu­ziek?

Dat werk­te ik bij Proxi­mus of zo. Ik heb gra­du­aat te­le­com­mu­ni­ca­tie ge­stu­deerd. Ei­gen­lijk wil­de ik bur­ger­lijk of in­du­stri­eel in­ge­ni­eur doen, maar dat duur­de te lang. Ik was al met mu­ziek be­zig en wil­de geen tijd ver­lie­zen. Ik heb ge­ko­zen voor de ho­ge­school, van het kor­te ty­pe. Gra­du­aat te­le­com­mu­ni­ca­tie, dus. Maar ik denk wel dat ik voor Proxi­mus in Chi­na, of er­gens an­ders ver weg zou wer­ken. Ik zou wel een we­reld­job heb­ben ge­daan. Ik denk niet dat ik hier ge­ble­ven zou zijn.

Geen spijt van iets? ●

(fel) Van he­le­maal niks. Als ik mor­gen zou dood­val­len, zou ik al­leen maar spijt heb­ben dat ik mijn kin­de­ren en mijn vrouw niet meer zal zien. Ik heb al­les ge­daan wat ik wil. Ik ben een wreed ge­luk­ki­ge mens. Ik wil dit nog zo lang mo­ge­lijk doen. Het zou me ook heel on­ge­luk­kig ma­ken als het ap­plaus op een be­paald mo­ment uit­sterft.

“Al de vier­de week op num­mer 1. Het zou in som­mi­ge krin­gen goed staan om te zeg­gen dat het mij niets doet. Maar zo bla­sé ben ik niet.”

Want daar kan niks te­gen­op. De kick van het ap­plaus is enorm. Ik ben daar ver­slaafd aan. Als ik zou moe­ten op­tre­den en het pu­bliek draait zijn rug, dan hoeft het voor mij niet meer. Een pu­bliek dat uit de bol gaat op mu­ziek die jij hebt ge­maakt, dat is het mooi­ste.

En dan vraag je maar naar die hand­jes…

(ver­on­ge­lijkt) Maar ik heb dat nooit ge­zegd, he! Waar zijn die hand­jes? Dat is niet van mij. Zoek het maar op. Je zal geen en­kel film­pje vin­den waar­op ik dat over mijn lip­pen krijg. Het is de fout van die imi­ta­to­ren. Alex Ag­new, Jo­nas Van Geel, Ur­ba­nus. Ik ga niet ont­ken­nen dat ik ooit wel iets in die zin heb ge­zegd, ik zeg van al­les op een po­di­um. Put your hands up, waar zijn die han­den? Maar hand­jes? Nooit. Ik haat ver­klein­woor­den. Maar ik trek het mij niet aan. Ik ben heel dank­baar dat ik dat mag doen. In het voor­jaar num­mers schrij­ven en in de zo­mer op­tre­den met dat nieu­we ma­te­ri­aal, dat is fan­tas­tisch. Ze­ker als ik in dat voor­jaar een hit heb ge­maakt (lacht).

En die moet je dan hon­der­den ke­ren spe­len. Ben je dat niet zo beu als kou­de pap?

Nooit. Zelfs Walk on Wa­ter (de groot­ste hit ooit van Milk Inc., red.) niet. Er ko­men al­tijd nieu­we her­in­ne­rin­gen bij, el­ke keer op­nieuw. Ik zal mijn mu­ziek nooit beu zijn, ik ben fier op mijn werp­sels.

On­der­tus­sen sta je er­gens half­weg in de top vijf­tig van de best­ver­die­nen­de ar­ties­ten in Bel­gië. Goed ge­boerd.

Ik ben daar heel fier op. Maar het is ook mijn spaar­boek. Er zijn be­las­tin­gen – veel – op be­taald, dus voor je dat be­drag op­zij hebt, heb je hard je best moe­ten doen.

Eer­lijk, als ik ze­ven cij­fers op mijn bank­re­ke­ning zou heb­ben staan, ik zou niet in dit kou­de tocht­gat blij­ven slen­te­ren.

Ach. In de win­ter gaan we vijf we­ken naar Zuid-Afri­ka. Maar ik zou daar echt geen heel jaar kun­nen zit­ten. Die vijf we­ken, dat is ple­zant. Ik heb daar veel vrien­den, want ik kom er al ne­gen­tien jaar. En ik word er niet om de ha­ver­klap her­kend, dat is ook mooi mee­ge­no­men.

Ver­geef het me, maar je hebt het wel zelf ge­zocht: je bent li­ve op tv ge­trouwd, de ca­me­ra’s heb­ben naast de kof­fie­zet in de keu­ken ge­staan.

In Vlaan­de­ren zal ik al­tijd wel be­kend blij­ven en dat vind ik niet erg. Ik denk dat ik er voor ben ge­maakt. Ook al is het niet al­tijd aan­ge­naam om te po­se­ren voor een sel­fie. Ze­ker niet in het zie­ken­huis of op een be­gra­fe­nis. Ik heb er­voor ge­ko­zen en ik mek­ker daar niet over. Maar het is wel leuk om er­gens rond te lo­pen zon­der dat ie­mand je her­kent. Ze­ker nu ik een ge­zin heb, is het soms am­be­tant. Niet voor mij, maar voor de kin­de­ren. Het is heel moei­lijk, zeg maar on­mo­ge­lijk, om naar een speel­tuin te gaan. Om de twee me­ter word ik aan­ge­klampt.

Is er nog veel ver­an­derd sinds je kin­de­ren hebt?

“Sinds ik va­der ben, ben ik pre­cies een ou­de­re mens ge­wor­den. En week. Als El­lie Mart­ha het lied­je van pa­pa op de ra­dio her­kent, dan pakt mij dat.”

Al­les. Ik heb al­tijd wel de nei­ging ge­had om al­les te re­la­ti­ve­ren, maar sinds El­lie Mart­ha en Re­née er zijn, doe ik dat nog veel meer. Ik ben ook een ou­de­re mens ge­wor­den, pre­cies. Ik denk al eens twee keer na voor­dat ik snel­ler dan 120 rijd. Het per­spec­tief is ver­an­derd. En ik ben er week van ge­wor­den. Als El­lie Mart­ha het lied­je van pa­pa op de ra­dio her­kent, dan pakt mij dat. Ik kan ook niet meer naar het nieuws kij­ken zon­der vol te schie­ten als het gaat over leed dat kin­de­ren wordt aan­ge­daan.

Ben je er­mee be­zig wat er van je kin­de­ren moet wor­den? De we­reld waar­in je ze ge­dropt hebt, is niet met­een aan zijn meest fraaie hoofd­stuk be­zig.

Och, dat is toch van al­le tij­den. El­ke ou­der was daar vroe­ger ook al bang voor. Dat hoort er ei­gen­lijk wel een bee­tje bij, die be­zorgd­heid.

Er zijn ar­ties­ten die zeg­gen dat ze de we­reld mooi­er wil­len ma­ken.

Ik maak dat niet gro­ter dan no­dig. Ik heb een klein rol­le­tje te spe­len: de men­sen amu­se­ren. Een uur­tje niet aan hun mi­se­rie la­ten den­ken, of la­ten mee­zin­gen als ze in de fi­le staan. Daar stopt het. En­ter­tain­ment. Punt.

Zo’n ge­brek aan ego is eer­der zeld­zaam in jouw bran­che.

We moe­ten de din­gen niet be­lang­rij­ker ma­ken dan ze zijn. Vind ik mijn ima­go be­lang­rijk? Na­tuur­lijk. Ik ben een pu­blie­ke fi­guur. Maar dat is ook maar zo lang als het breed is. Ik heb lie­ver het ima­go van een ar­tiest zon­der kap­so­nes. Waar­om zou ik moei­lijk moe­ten doen en on­mo­ge­lij­ke din­gen vra­gen aan or­ga­ni­sa­to­ren? Ik kom lie­ver de vol­gen­de keer nog eens te­rug. Ik wil maar één ding: een vak­man zijn. Of je nu slecht vindt wat ik speel of niet, dat kan me niet zo heel erg veel sche­len. Maar ik wil wel dat dui­de­lijk is dat ik mijn stiel ken. Zo veel be­roeps­eer heb ik wel. Ik wil de bes­te zijn in mijn gen­re. Ik heb het ge­luk dat ik al­leen zit in die ni­che, dat er nie­mand an­ders doet wat ik doe. Ik wil dus de bes­te Regi zijn. En dat blij­ven. FRANK POOSEN

FO­TO DBA

Regi Penx­ten aan het MAS in Ant­wer­pen. “De Gro­te Bo­ze Wolf zal toch ooit wel eens aan mijn deur ko­men klop­pen. Dat kan niet an­ders.”

Newspapers in Dutch

Newspapers from Belgium

© PressReader. All rights reserved.