“Van enig kind naar tien broers en zus­sen”

Na dood van haar va­der ging An­ne-Sop­hie op haar vijf­tien­de naar een pleeg­ge­zin

Het Belang van Limburg - - Voorzijde Pagina -

Ze heeft zelf net zo’n beet­je een pleeg­kind­je in huis. Kla­gend mi­au­wend loopt een schat­tig grijs kat­je over ta­fel tij­dens het ge­sprek, he­le­maal niet blij met de aan­dacht die het op­eens moet de­len. “Heb ik ge­kre­gen van mijn vriend, als wel­komst­ge­schenk in huis. Het moet nog wat wen­nen”, ver­telt An­ne-Sop­hie Ver­koy­en (19), pleeg­kind ge­wor­den op vijf­tien jaar na­dat haar va­der on­ver­wacht ge­stor­ven is. “We woon­den ja­ren on­der ons twee, op­eens kwam ik te­recht in een ge­zin van der­tien. Ook ik heb moe­ten wen­nen”, lacht ze. “Maar ik ben mijn pleeg­fa­mi­lie heel dank­baar, voor de kan­sen die ik ge­kre­gen heb.” Vijf jaar was ze toen An­ne-Sop­hie naar een kin­der­te­huis moest, na­dat ma­ma ge­trof­fen werd door een be­roer­te. Haar va­der von­den ze toen te oud om met­een een kleu­ter in huis te ne­men. “Mijn ou­ders zijn vlak na mijn ge­boor­te uit el­kaar ge­gaan, maar ik zag pa­pa nog wel. Hij was een stuk ou­der dan ma­ma. Ze had­den el­kaar op ca­fé le­ren ken­nen. Hij was de uit­ba­ter en zij kwam er al eens. Pa­pa was een avon­tu­rier, hij had veel rond­ge­reisd en had in Con­go ge­werkt”, ver­telt ze.

Zo­dra ze naar het eer­ste leer­jaar ging, mocht An­ne-Sop­hie dan toch bij hem in­trek­ken. “Hij was toen al met pen­si­oen. Het was een ge­wel­di­ge va­der. In zijn een­tje heeft hij me op­ge­voed. Het is niet al­tijd mak­ke­lijk ge­weest. Er wa­ren schul­den en het was re­gel­ma­tig be­hel­pen. Maar ik kan niet an­ders zeg­gen dan dat ik een fij­ne jeugd heb ge­had. Pa­pa heeft me al­les ge­ge­ven wat ik no­dig had.”

Kunst­ma­ti­ge co­ma

Tot haar le­ven op­nieuw over­hoop werd ge­gooid, toen An­ne-Sop­hie vijf­tien was. “Het ging al een tijd­je min­der met pa­pa: hij brak een been en la­ter ook een arm. Hij zat in een beet­je in een suk­kel­straat­je om­dat hij al wat ou­der was. Op een avond heeft hij dan iets ge­kre­gen. Ik weet nog hoe ik ’s nachts in pa­niek de am­bu­lan­ce moest bel­len. In het zie­ken­huis werd hij in een kunst­ma­ti­ge co­ma ge­hou­den. Wij kre­gen te ho­ren dat we maar best af­scheid kon­den ne­men. Maar pa­pa is toch ont­waakt. Al­les leek goed te ko­men, hij is over­ge­bracht naar een re­va­li­da­tie­cen­trum. En dan is het op­eens al­le­maal heel snel ge­gaan. Op 68 jaar is pa­pa over­le­den. Dan word je heel snel groot, hoor.”

Echt tijd om te rou­wen, was er niet. Want voor An­ne-Sop­hie be­te­ken­de de dood van haar va­der ook let­ter­lijk dat ze haar eni­ge thuis kwijt was. “Ik ben die we­ken en maan­den na zijn over­lij­den van de ene plek naar de an­de­re ver­huisd. Eerst ben ik een tijd­je op­ge­van­gen door een buur­vrouw, dan door een half­broer, maar die had z’n ei­gen pro­ble­men. Uit­ein­de­lijk werd het dan een cri­sis­ge­zin van pleeg­zorg. Maar ik heb het ge­luk ge­had dat ik een heel fij­ne leer­kracht had, waar­mee ik al­tijd kon pra­ten. Via haar ben ik bij mijn pleeg­ge­zin te­recht­ge­ko­men. Zij ken­de een meis­je op school van wie de ou­ders kin­de­ren in huis na­men. En ze heeft Noë ge­vraagd of haar ou­ders het niet za­gen zit­ten om mij een thuis te ge­ven.”

Af­was­sen

Het ant­woord liet niet lang op zich wach­ten. Het ge­zin van Peg­gy Mariën en Luc Beer­tens deed niets lie­ver dan nog een ge­zins­lid ver­wel­ko­men. Vier ei­gen kin­de­ren, één adop­tie­zoon, uit­wis­se­lings­stu­den­ten, ge­mid­deld vier pleeg­kin­de­ren die ko­men en gaan. Stil of saai is het nooit in huis in Ham. “Het was wel even se­ri­eus aan­pas­sen in een pleeg­ge­zin met der­tien men­sen”, lacht An­ne-Sop­hie. “Ik was ge­wend om al­leen met pa­pa te le­ven, nu wa­ren er zo­veel broer­tjes en zus­sen. Ie­der­een had z’n ta­ken in het huis­hou­den en ik werd met­een in­ge­scha­keld. Ook dat was nieuw (lacht). Want pa­pa deed dat thuis. Af­was­sen ben ik best ple­zie­rig be­gin­nen vin­den in mijn pleeg­ge­zin, al­leen was het met der­tien man wel heel veel af­was. Maar zo­veel broers en zus­sen maak­te het ook fijn. Er was al­tijd wel ie­mand te­gen wie ik mijn hart kon luch­ten als ik het moei­lij­ker had.”

Thai­land

“Als het An­ne-Sop­hie niet ging, werd ze heel stil en trok ze zich te­rug op haar ka­mer. Maar dan stuur­de ze me een sms’je of ik even naar bo­ven kon ko­men. Zo heb­ben we uren op haar bed ge­bab­beld”, be­schrijft pleeg­ma­ma Peg­gy (47). “We heb­ben sa­men ge­huild en ge­la­chen… Ik heb al­tijd een groot ge­zin ge­wild. Weet je dat ik zelfs niet meer voor een half­vol- le ta­fel kan ko­ken? Als ze maar met een stuk of zes zijn, ga ik eten uit­ha­len.”

“Ik heb daar een heel fij­ne tijd ge­had, ze heb­ben me zeer goed op­ge­van­gen”, gaat An­ne-Sop­hie ver­der. “Maar op mijn acht­tien­de had ik echt wel het ge­voel dat ik even mijn gren­zen moest ver­leg­gen, dat ik let­ter­lijk het vei­li­ge nest moest ver­la­ten. Ik ben dan tien maan­den naar Thai­land ge­trok­ken, ik wou echt tot het ui­ter­ste gaan. Een heel nieu­we cul­tuur ont­dek­ken, een nieu­we taal le­ren, een cul­tuur­schok er­va­ren.” “Thai­land werd het om­dat mijn pleeg­ge­zin een Thai­se uit­wis­se­lings­stu­den­te had ge­had. Ik ben daar door haar fa­mi­lie in huis ge­no­men. Recht­streeks na mijn rap­port se­cre­ta­ri­aat-ta­len ben ik ver­trok­ken in Bel­gië, ik heb zelfs de pro­cla­ma­tie niet af­ge­wacht (lacht). Ik heb me­zelf daar heel hard ge­von­den. Het avon­tu­riers­bloed van mijn va­der zit toch ook in mij. Er was het ge­mis van het thuis­front, maar te­ge­lij­ker­tijd deed het me deugd en heb ik daar er­gens rust ge­von­den. Na­dat ik weer thuis in Ham was, wist ik wat ik met mijn le­ven wil­de.”

The­ra­pie

En daar maakt Lef­te­ri (22) een groot deel van uit. “Ja”, glun­dert An­ne-Sop­hie. “Ik heb een fan­tas­ti­sche vriend ge­von­den. Via mijn pleeg­ge­zin, ei­gen­lijk. Ze had­den een uit­wis­se­lings­stu­dent uit Ecu­a­dor in huis en die was be­vriend ge­raakt met een klas­ge­noot van mijn pleeg­zus. Zo heb­ben we el­kaar le­ren ken­nen en al snel ont­dekt dat we de­zelf­de pas­sie voor fo­to’s de­len. Daar­mee is het ei­gen­lijk be­gon­nen. Ik heb al­tijd een heel goed ge­voel bij hem ge­had, we ver­trou­wen el­kaar door en door. Al­les kan ik aan hem kwijt. Ook de ge­voe­lens rond de dood van mijn va­der, want die heb ik lang voor me­zelf ge­hou­den. Ik weet dat ik nog veel moet ver­wer­ken, op het mo­ment zelf was die tijd er ge­woon niet. Daar­om ben ik in­tus­sen ook in the­ra­pie ge-

Ik heb geen pro­bleem om te zeg­gen dat ik een pleeg­kind ben, het is niets om je voor te scha­men

An­ne-Sop­hie Ver­koy­en

gaan. Dat zou niet zo’n ta­boe mo­gen zijn, waar­om zou­den men­sen geen hulp mo­gen zoe­ken om din­gen te ver­wer­ken?”

Is het iets waar­over ze praat, wat ze men­sen zal ver­tel­len, dat ze pleeg­kind is? Of lie­ver ver­zwijgt? “Ik heb er geen pro­bleem mee, het is ook niet iets waar je je voor moet scha­men. Er zijn ve­len die het nog niet we­ten, maar als ze er naar vra­gen, zal ik het ze­ker zeg­gen. Tuur­lijk zijn er nog men­sen die een heel fout beeld heb­ben van pleeg­zorg. Maar ik zou zeg­gen aan ge­ïn­te­res­seer­den: waag de stap, er zijn al­tijd kin­de­ren die je no­dig heb­ben.” In­tus­sen is er een nieuw hoofd­stuk aan haar le­ven ge­breid: een dik maand­je staat ze nu op ei­gen be­nen en woont ze sa­men met vriend. Of toch zo­iets. “We zijn in­ge­trok­ken bij zijn ou­ders in Le­o­polds­burg, heel goe­de men­sen met een hart van goud. De pa­pa en ma­ma van Lef­te­ri heb­ben me heel snel ge­steund, toen ze hoor­den van mijn ver­haal. Er zijn nooit vra­gen ge­steld of op­mer­kin­gen ge­maakt. Ze be­schou­wen mij in­tus­sen echt als een doch­ter, dit is nu mijn der­de thuis. Ik ben wel met een bang hart­je aan ta­fel gaan zit­ten om het mijn pleeg­ou­ders te ver­tel­len, ik wil­de hen ze­ker niet kwet­sen.”

Jour­na­lis­tiek

En An­ne-Sop­hie is op­nieuw be­gin­nen stu­de­ren: jour­na­lis­tiek. “Aan de ho­ge­school Tho­mas Mo­re in Me­che­len. Ik wist het heel snel toen ik de keu­zes zag. Ik ben al­tijd nieuws­gie­rig ge­weest, schrijf heel graag, ben so­ci­aal. Een plan B is er nooit echt ge­weest, ik wil voor de me­dia wer­ken. Mijn vriend stu­deert ook in Me­che­len, we pen­de­len el­ke dag. Op kot hoeft niet voor mij, dat ge­voel van el­ke dag thuis­ko­men be­te­kent veel.”

Hoe ze haar toe­komst ziet? “Moei­lij­ke vraag. Ik ben nu ne­gen­tien. In de ver­re toe­komst zie ik ui­ter­aard een huis­je, tuin­tje en kind­jes. Nee, mijn si­tu­a­tie schrikt me ze­ker niet af om aan kin­de­ren te be­gin­nen. In­te­gen­deel. Maar eerst nog een beet­je van het le­ven met z’n twee­tjes ge­nie­ten. (lacht)

We zijn wel al klein be­gon­nen: met een vis. Als we daar goed voor kon­den zor­gen, zou­den we een vol­gen­de stap zet­ten. En die zit daar”, wijst ze naar het kit­ten dat mi­au­wend om aan­dacht vraagt. “Een wel­komst­ge­schenk van mijn vriend.”

Ge­re­geld springt ze nog bin­nen bij de pleeg­ou­ders en met de broers en zus­sen wordt al eens een stap­je in de we­reld ge­zet. “Voor­al met mijn zus­sen kan ik goed pra­ten. En met mijn pleeg­ma­ma, zij zag al­tijd met­een als er iets was. Van mijn ech­te ou­ders heb ik dan weer mee­ge­kre­gen dat al­les mo­ge­lijk is: je moet blij­ven dro­men, ma­te­ri­ë­le din­gen zijn niet be­lang­rijk.” Als ze al­le­bei af­ge­stu­deerd zijn, wil ze rei­zen. Met één heel spe­ci­aal doel: de as van haar va­der in Con­go uit­strooi­en. “Dat was zijn droom. Als ik dan toch een we­reld­reis ga ma­ken, moet dat wel kun­nen. Ik zou hem van­daag nog zo­veel wil­len vra­gen…”

En heeft ze nog con­tact met haar ech­te ma­ma? “Ab­so­luut, ze leeft in een be­schut­te wo­ning, ze kan moei­lijk voor zich­zelf zor­gen. We stu­ren re­gel­ma­tig be­richt­jes en ik ga op be­zoek. Dat is ook de kracht van pleeg­zorg: dat je de band met de bi­o­lo­gi­sche fa­mi­lie be­houdt.”

Na de dood van pa­pa stond ik er al­leen voor op vijf­tien jaar. Dan word je snel vol­was­sen

An­ne-Sop­hie Ver­koy­en

Newspapers in Dutch

Newspapers from Belgium

© PressReader. All rights reserved.