Het­zelf­de

Het Belang van Limburg - - Nieuws -

Het eer­ste her­ken­nings­punt was het huis­je met een dak van stro. Ik reed een eind te­rug zo­dat mijn vrouw er een kiek­je van kon ne­men. We wa­ren on­der­weg naar ons ho­tel. Ver­der­op stond nog al­tijd het re­cla­me­bord van een sport­club die nieu­we le­den zocht. Aan het kruis­punt her­ken­de ik het op­val­lend or­de­lijk uit­zien­de schroot­be­drijf.

Ter­wijl ik ver­der naar de stad reed, be­dacht ik dat er hier ei­gen­lijk niets ver­an­derd was sinds mijn be­zoek van vo­rig jaar - de­zelf­de sport­ter­rei­nen en gro­te win­kel­za­ken, de poort in de mid­del­eeuw­se stads­wal, de glad­ge­po­lijs­te kas­sei­weg naar het ho­tel, de stei­le trap, de vleu­gel­pi­a­no in de ho­tel­lob­by, en de be­groe­ting van de blon­de me­vrouw van de re­cep­tie: “Hej hej!”

* * *

Toen ik een jaar ge­le­den het Zweed­se ei­land Got­land be­zocht, was ik ‘en­sam’ – Zweeds voor ie­mand die al­leen is, maar zon­der de emo­ti­o­ne­le la­ding van ons woord ‘een­zaam’.

Om­dat ik toen zo­veel moois had ge­zien maar de ge­noe­gens met nie­mand had kun­nen de­len, was ik er zo­wel ‘en­sam’ als een­zaam.

Zelfs de won­der­lijk­ste din­gen die een mens op een reis be­leeft, kun­nen ach­ter­af ge­mak­ke­lijk ver­ge­ten wor­den. Maar wan­neer hij zijn er­va­rin­gen met ie­mand deelt, blij­ven ze vaak lan­ger voort­le­ven.

* * *

Geen twee din­gen in de­ze we­reld zijn pre­cies het­zelf­de na­tuur­lijk. Het strooi­en huis­je zag er ver­moei­der uit dan een jaar ge­le­den, het re­cla­me­bord van de sport­club baad­de in een an­der licht, de schroot­berg aan het kruis­punt was ge­groeid en de be­groe­ting in het ho­tel kwam uit de mond van een blon­de me­vrouw die ik me niet van het vo­ri­ge be­zoek her­in­ner­de.

Niet al­leen de re­kwi­sie­ten wa­ren ver­an­derd, ook ik­zelf de be­zoe­ker - was niet de­zelf­de ver­sie als die van vo­ri­ge herfst. Zon­der de kaart te moe­ten raad­ple­gen, had ik nu ge­mak­ke­lijk de weg naar het ho­tel ge­von­den. Om­dat de tek­sten op af­fi­ches en bor­den on­der­weg min­der ge­hei­men voor me be­vat­ten, merk­te ik ook dat m’n ken­nis van de taal ver­be­terd was. En dank­zij het ge­zel­schap van m’n vrouw voel­de ik me niet ont­heemd in de vreem­de stad. Niets leek het­zelf­de, al­les was an­ders.

* * *

‘An­ders’ was zijn naam, An­ders Öster­dahl om pre­cies te zijn. An­ders was ei­ge­naar en kok van vis­res­tau­rant ‘Öster­dahl Bryg­ga’ in Vis­by, de hoofd­stad van Got­land met de ty­pi­sche trap­ge­vel­hui­zen van een mid­del­eeuw­se Han­ze­stad.

Ook op reis moet er ge­ge­ten wor­den. Wan­neer ik al­leen ben is een eet­ge­le­gen­heid snel ge­ko­zen. Dan doet het me wei­nig om in een ka­le keet te bik­ken, zo­lang de kwa­li­teit van wat op mijn bord ver­schijnt maar goed is. Maar om ge­zel­lig met z’n twee­tjes te kun­nen ta­fe­len is meer no­dig na­tuur­lijk.

De blon­de me­vrouw van de ho­tel­re­cep­tie had een ta­fel in het res­tau­rant van An­ders ge­re­ser­veerd. Waar­schijn­lijk het klein­ste res­tau­rant waar­in we ooit ge­ge­ten heb­ben – vijf ta­fel­tjes en te wei­nig plaats om tus­sen het meu­bi­lair te na­vi­ge­ren zon­der an­de­re gas­ten te sto­ren. An­ders bleek een nor­se kok te zijn, best on­vrien­de­lijk toen we bin­nen­kwa­men. De blon­de me­vrouw van het ho­tel had zich ver­gist, dacht ik, maar we had­den hon­ger en ble­ven dus zit­ten.

Naar­ma­te de avond vor­der­de, trans­for­meer­de An­ders voor on­ze ogen tot een com­pleet an­der mens. Hij werd de vrien­de­lijk­heid zel­ve, bab­bel­de met ons over van al­les en nog wat. Hij haal­de din­gen uit zijn keu­ken­tje die hij mee­gaf om thuis te pro­be­ren. Het werd zelfs moei­lijk om af­scheid te ne­men. Mijn vrouw gaf hem nog een dik­ke zoen voor we het piep­klei­ne res­tau­rant aan de ha­ven ver­lie­ten – de ge­zel­lig­ste keet van Vis­by.

* * * Som­li­ga njut­nin­gar är så små, att de måste del­as med nå­gon för att räcka till

[Som­mi­ge ge­noe­gens zijn zo klein, dat je ze met ie­mand moet de­len zo­dat ze toe­rei­kend blij­ven]

Göran Troell (1959-); ‘Det kan li­ka gä­r­na gå bra’ (2013), p. 79

* * *

Mijn vrouw dacht dat ze een zwaan op de wil­de ba­ren van de Bal­ti­sche Zee had zien voor­bij­drij­ven: “Kan dat?” Het was een wil­de zwaan, geen knob­bel­zwaan zo­als bij ons.

Op het strand la­gen ste­nen waar­in fos­sie­le schelp­jes en ko­raal ver­scho­len za­ten.

In de klein­ste, ge­woon­ste din­gen – een zwaan, een steen – ont­dek­ten we iets won­der­lijks.

Het was het ge­noe­gen om sa­men in het­zelf­de het an­de­re te her­ken­nen, en in het an­de­re het­zelf­de.

Good luck en tot ziens.

Newspapers in Dutch

Newspapers from Belgium

© PressReader. All rights reserved.