Ik ken u pre­cies van er­gens

Het Belang van Limburg - - Hbvlplus - Door Hil­de Van den Eyn­de

Neem een blaad­je pa­pier. Schrijf daar­op de na­men van al­le men­sen uit uw om­ge­ving van wie u het ge­zicht (her)kent. Fa­mi­lie­le­den, vrien­den, ou­de school­ka­me­ra­den, col­le­ga’s, bu­ren, de pen­de­laars op de trein naar het werk, de huis­arts, de post­bo­de, de bak­kers­vrouw, de vak­ken­vul­lers en de cas­si­è­res in de su­per­markt, de trai­ner van uw zoons voet­bal­ploeg, de lo­ket­be­dien­de van het bank­kan­toor, en­zo­voorts. Kent u de na­men bij de ge­zich­ten niet, schrijf dan ge­woon de me­vrouw die el­ke och­tend de dui­ven voert op het dorps­plein of die et­ter van drie hui­zen ver­der­op die zijn peu­ken steeds in on­ze voor­tuin gooit.

Bent u klaar, neem dan een nieuw vel pa­pier. Schrijf daar­op al­le be­ken­de ge­zich­ten die u kent van tv, uit de film- en mu­ziek­we­reld, de me­dia en de boek­skes. No­teer ook be­ken­de ge­zich­ten van fi­gu­ren die va­nop ver­kie­zings­bor­den langs de straat hen­ge­len naar uw stem. Voeg daar­bij al­le voet­bal­lers, ten­nis­sers en an­de­re at­le­ten die u van ge­zicht kent, en die van hun part­ners. Kent u hun naam niet, schrijf dan die zan­ger van de Rol­ling Sto­nes met zijn dik­ke lip­pen, die ros­se voet­bal­ler met zijn ze­re knie of die voor­zit­ter van de Ka­mer van Volks­ver­te­gen­woor­di­gers met zijn ra­re snor­re­tje.

Na uur min­der in­spi­ra­tie

Tel ver­vol­gens de twee lijst­jes bij el­kaar op en stel vast dat u wel dui­zend ge­zich­ten kent, of meer. Ten­min­ste: dat is wat on­der­zoe­kers van de Uni­ver­si­teit van York heb­ben af­ge­leid uit een on­der­zoek bij 25 vrij­wil­li­gers die de hier­voor ge­schets­te op­drach­ten moesten uit­voe­ren. Het ge­zichts­vo­ca­bu­la­ri­um van de ge­mid­del­de mens be­draagt zo’n vijf­dui­zend exem­pla­ren, rap­por­te­ren ze in het vak­blad Pro­ceedings of the Roy­al So­ci­e­ty B.

In de stu­die kre­gen deel­ne­mers een uur om ge­zich­ten uit hun ei­gen om­ge­ving op te lijs­ten en nog­maals een uur voor be­ken­de ge­zich­ten uit de me­dia. Bij de mees­te deel­ne­mers droog­de de in­spi­ra­tie naar­ma­te het uur vor­der­de, ge­lei­de­lijk op. Door dit uit­do­ven­de her­in­ne­rings­pro­ces uit te zet­ten in gra­fiek en te ex­tra­po­le­ren naar het mo­ment waar­op deel­ne­mers géén ex­tra ge­zich­ten meer zou­den kun­nen toe­voe­gen, kon­den de on­der­zoe­kers het ge­mid­del­de aan­tal ge­zich­ten schat­ten dat een door­snee per­soon uit zijn ge­heu­gen kan op­roe­pen. Om daar­naast te we­ten te ko­men wel­ke ge­zich­ten men­sen ken­nen zon­der dat ze zich daar­van be­wust zijn, leg­den de on­der­zoe­kers de deel­ne­mers ver­vol­gens fo­to’s voor van 3.441 Be­ken­de Ame­ri­ka­nen (BA’s), on­der wie Barack Oba­ma en Tom Crui­se. Om te be­wij­zen dat ze een ge­zicht her­ken­den, moesten proef­per­so­nen de­ze BA’s van twee ver­schil­len­de fo­to’s kun­nen her­ken­nen. Uit de op­tel­ling van de sco­res uit de drie tests en na schrap­ping van dub­bels ble­ken de deel­ne­mers aan het on­der­zoek tus­sen de dui­zend en de tien­dui­zend ge­zich­ten te (her)ken­nen.

Dat is best veel, als je be­seft dat men­sen tot aan de land­bouw­re­vo­lu­tie (tien­dui­zend jaar ge­le­den) in klei­ne groe­pen van ja­gers­ver­za­me­laars leef­den, die hoog­uit hon­derd le­den tel­den. Meer ge­zich­ten moest je toen niet ken­nen. Maar ken­ne­lijk is er in on­ze her­se­nen vol­doen­de re­ser­ve­ge­heu­gen­ruim­te om de dui­zen­den ex­tra ge­zich­ten op te slaan waar­mee we te ma­ken krij­gen in de­ze tij­den van me­dia­over­voe­ring.

Of er een li­miet zit op het aan­tal ge­zich­ten dat we kun­nen stoc­ke­ren, en wel­ke die dan even­tu­eel is, we­ten de on­der­zoe­kers niet. Maar de sprei­ding is groot, no­teert on­der­zoeks­lei­der Rob Jenkins. “Wel­licht heb­ben som­mi­ge men­sen een bij­zon­der ta­lent voor het ont­hou­den van ge­zich­ten. Dat geeft hun een voor­sprong in het so­ci­a­le ver­keer, want ge­zichts­her­ken­ning helpt om het ge­drag van per­so­nen in de loop der tijd te mo­ni­to­ren, en je ei­gen ge­drag daar­bij aan te pas­sen.” An­der­zijds valt niet uit te slui­ten dat men­sen kun­nen lé­ren om ex­tra veel ge­zich­ten op te slaan in hun ge­heu­gen, zegt Jenkins. “Als ze bij­voor­beeld op­groei­en in druk­ke wij­ken met veel so­ci­a­le con­tac­ten.”

Piekleef­tijd

Een an­de­re on­be­ant­woor­de vraag uit de stu­die is: slaan men­sen naar­ma­te ze ou­der wor­den, méér ge­zich­ten op in hun ge­heu­gen? De ge­mid­del­de leef­tijd van de stu­die­deel­ne­mers was 24 (door­gaans wordt voor dit soort stu­dies on­der uni­ver­si­teits­stu­den­ten ge­re­kru­teerd), zo­dat over die vraag op ba­sis van de stu­die­ge­ge­vens wei­nig valt te zeg­gen.

”Ik ben be­nieuwd of er een piekleef­tijd is waar­op men­sen een maxi­maal aan­tal ge­zich­ten ken­nen”, zegt Jenkins. ”Sta­pe­len we de ge­zich­ten op tot we dood­gaan, of be­gin­nen we van­af een ze­ke­re leef­tijd be­ken­de ge­zich­ten te wis­sen uit ons ge­heu­gen?”

“Men­sen kun­nen lé­ren om ex­tra veel ge­zich­ten op te slaan in hun ge­heu­gen” On­der­zoeks­lei­der Rob Jenkins

Newspapers in Dutch

Newspapers from Belgium

© PressReader. All rights reserved.