De we­reld bin­nen hand­be­reik

DE WE­RELD­KAART UIT 1648 VAN JO­AN BLA­EU

Alles over Geschiedenis - - Inhoud -

De we­reld­kaart van Jo­an Bla­eu uit 1648 is de eer­ste waar­op de idee­ën van Coper­ni­cus zijn ver­werkt.

In de ze­ven­tien­de eeuw was de fir­ma Bla­eu de groot­ste pro­du­cent van kaar­ten en an­der druk­werk. De we­reld­kaart van Jo­an Bla­eu uit 1648 is de eer­ste waar­op de idee­ën van Coper­ni­cus zijn ver­werkt. De­ze voor­uit­stre­vend­heid was te dan­ken aan de ves­ti­gings­plaats van het fa­mi­lie­be­drijf: het to­le­ran­te Am­ster­dam.

Am­ster­dam had aan het be­gin van de ze­ven­tien­de eeuw een on­ge­ken­de aan­trek­kings­kracht op scheeps­bou­wers en scheeps­lie­den. De ve­le ont­dek­kings- en han­dels­rei­zen die van­uit Am­ster­dam naar Azië ver­trok­ken, re­sul­teer­den in 1602 in de op­rich­ting van de Ver­e­nig­de Oost-In­di­sche Com­pag­nie (VOC). De stad trok ook ge­leer­den, kun­ste­naars en am­bachts­lie­den aan, zo­als Des­car­tes, Antho­nie van Leeu­wen­hoek, Joost van den Von­del en Pie­ter Cor­ne­lisz. Hooft. Het was om­streeks de­ze pe­ri­o­de dat ook Wil­lem Jansz. Bla­eu zich ves­tig­de in Am­ster­dam.

Wil­lem Jansz. Bla­eu (1571-1638) was de zoon van een pro­tes­tant­se ha­ring­koop­man, maar had meer in­te­res­se in we­ten­schap dan in vis.

Hij ging daar­om in de leer bij de Deen­se as­tro­noom Tycho Brahe, van wie hij al­les leer­de over as­tro­no­mie. Te­rug in de Re­pu­bliek leg­de hij zich in 1596 toe op het ma­ken en ver­ko­pen van he­mel- en aard­glo­bes. Ook spe­ci­a­li­seer­de hij zich in het ont­wik­ke­len van ster­ren­kun­di­ge in­stru­men­ten. In 1607 druk­te Bla­eu zijn eer­ste zee­kaart en vijf jaar la­ter druk­te hij zijn eer­ste kaar­ten van for­maat, waar­on­der een kaart van de Ze­ven­tien Pro­vin­ci­ën der Ne­der­lan­den, een kaart van Hol­land en een we­reld­kaart.

De al­les­kun­ner Wil­lem maak­te zijn ei­gen in­stru­men­ten, ont­dek­te in de tus­sen­tijd twee ster­ren en gaf in 1617 een nieu­we druk uit van De Re­vo­lu­ti­o­ni­bus. Dit ico­ni­sche boek van Coper­ni­cus werd voor het eerst ge­pu­bli­ceerd in 1543 toen Coper­ni­cus op zijn sterf­bed lag. Het boek ging over het he­li­o­cen­tris­me. Coper­ni­cus stel­de dat de zon het mid­del­punt van het heel­al was en niet de aar­de. Vlak na zijn over­lij­den was er wei­nig on­rust over de­ze uit­ga­ve. Het werk werd ge­zien als een wis­kun­di­ge hy­po­the­se en niet zo­zeer als een we­ten­schap­pe­lijk be­toog. Toch wa­ren as­tro­no­men uit die tijd wel nieuws­gie­rig naar het boek van Coper­ni­cus en er werd veel stu­die ge­wijd aan zijn the­o­rie­ën.

In 1609 deed Ga­li­leo Ga­li­lei met de net uit­ge­von­den te­le­scoop waar­ne­min­gen die de the­o­rie van Coper­ni­cus in­di­rect be­ves­tig­den. Zijn werk gaf een nieu­we im­puls aan het de­bat over het he­li­o­cen­tris­me en lang­zaam werd de­ze the­o­rie door steeds meer we­ten­schap­pers om­armd. Dit leid­de dus in 1617 tot een her­druk van De Re­vo- lu­ti­o­ni­bus, na­dat het nog geen jaar daar­voor door de ka­tho­lie­ke kerk ver­bo­den was ge­weest. Dat Wil­lem dit boek toch kon her­druk­ken, was het ge­volg van de vrij­heid van druk­pers in de Re­pu­bliek, maar dat hij dit daad­wer­ke­lijk deed zegt voor­al iets over het com­mer­ci­eel in­zicht en het lef van Bla­eu. Ty­pisch Am­ster­dam­se bra­nie, zeg­gen we te­gen­woor­dig, maar de stad en de men­sen die er woon­den wa­ren al­tijd al vrij van geest, to­le­rant en on­der­ne­mend. De vraag kan ge­steld wor­den of Bla­eu dit ge­waag­de boek had kun­nen of dur­ven uit­ge­ven in een an­de­re stad, of zou hij daar als ket­ter zijn ver­volgd?

In 1633 werd Bla­eu aan­ge­steld als kaar­ten­ma­ker van de VOC en als exa­mi­na­tor van VOC-stuur­lie­den. Het was een zwa­re baan maar bleek van groot be­lang voor de ont­wik­ke­ling van de car­to­gra­fie. Bla­eu zat dicht bij de bron, na­me­lijk bij de ken­nis die van de zee­lie­den en sche­pen te­rug­kwam naar Am­ster­dam. Op die ma­nier kon hij reeds ge­druk­te kaar­ten en zee­mans­gid­sen ra­zend­snel ver­be­te­ren met de meest ac­tu­e­le in­for­ma­tie. Plaats­be­pa­ling op zee was in die tijd las­tig. Om­dat de tijd werd ge­schat, was met na­me de leng­te­graad­be­pa­ling

een be­hoor­lij­ke klus. De leng­te­graad ver­tel­de je hoe ver oost of west je zat. Bla­eu ver­taal­de zijn as­tro­no­mie­ken­nis di­rect naar bruik­ba­re wer­ken voor zee­lie­den en zo­doen­de sti­mu­leer­de hij de zee­vaart en de ont­dek­kin­gen van Ne­der­lan­ders in met na­me de Oost. Wil­lem Bla­eu kon ech­ter niet lang ge­nie­ten van dit baan­tje, aan­ge­zien de al­les­kun­ner stierf in 1638. Het was aan zijn zo­nen om zijn naam te doen voort­le­ven.

Het zou een gro­te klus wor­den voor de zoons van Wil­lem, Jo­an en Cor­ne­lis, om hun va­der te eve­na­ren. Cor­ne­lis kreeg hier he­laas wei­nig kans voor, aan­ge­zien hij al over­leed op 32-ja­ri­ge leef­tijd. Dit be­te­ken­de dat de toe­komst van het fa­mi­lie­be­drijf in han­den lag van Jo­an. Hij stu­deer­de rech­ten (en een blau­we maan­dag wis­kun­de) in Lei­den. Ge­luk­kig bleek ook hij ui­ter­ma­te goed in het ma­ken, druk­ken en uit­ge­ven van kaar­ten. Hij trad in Wil­lems voet­spo­ren als kaar­ten­ma­ker en exa­mi­na­tor van stuur­lie­den bij de VOC. On­danks dat Jo­an de no­di­ge ken­nis had van wis­kun­de en as­tro­no­mie, bleek hij op een be­paald punt toch an­ders in het be­drijf te staan dan zijn va­der. Jo­an was com­mer­ci­eel, waar zijn va­der we­ten­schap­pe­lij­ker was ge­weest. Hij richt­te zich op po­pu­lai­re ver­koop­waar zo­als bij­bels en druk­te van­uit een pro­tes­tan­te stad zelfs ka­tho­lie­ke wer­ken die hij, zij het on­der een an­de­re naam, in zijn win­kels ver­kocht.

Hij was een uit­ste­kend ma­na­ger die be­greep waar vraag naar was en waar geld mee te ver­die­nen was. Hij richt­te zich op spec­ta­cu­lai­re, gro­te uit­ga­ves van glo­bes en kaar­ten en be­steed­de veel aan­dacht aan het es­the­tisch as­pect. De kaar­ten wa­ren voor­zien van prach­ti­ge il­lu­stra­ties die in ei­gen zaak van de pers kwa­men. De­ze il­lu­stra­ties wer­den door ex­ter­ne am­bachts­lie­den in­ge­kleurd. Het werk van de­ze zelf­stan­di­gen gaf de kaar­ten een chi­que uit­stra­ling en voor­al de elite stond in de rij om te pron­ken met de­ze we­reld­se wer­ken. Door de groei­en­de han­del met Azië kwam de wel­vaart steeds meer op gang en kreeg Bla­eu een ka­pi­taal­krach­tig ko­pers­pu­bliek. We­der­om een over­een­komst met zijn va­der. Bla­eu trok zich niets aan van de pro­tes­tant­se kerk en druk­te ge­schrif­ten van ‘dis­sen­ders’ wat soms leid­de tot een in­val van de Am­ster­dam­se schout. Dan werd een aan­tal boe­ken ver­brand en kreeg Bla­eu een fik­se boe­te. Ver­vol­gens ging hij weer vro­lijk ver­der.

Aan het gro­te suc­ces van het fa­mi­lie­be­drijf Bla­eu kwam een nood­lot­tig ein­de. Door een brand in een van de druk­ke­rij­en, ging in 1672 een deel van de kaar­ten en ko­per­pla­ten vol­le­dig ver­lo­ren. Jo­an stierf een jaar la­ter op vijf­en­ze­ven­tig ja­ri­ge leef­tijd. Fa­mi­lie­vriend Joost van den Von­del, die in­mid­dels ook al hoog­be­jaard was, schreef een prach­tig ge­denk­schrift op zijn graf. Hij roemt

Bla­eu om zijn ken­nis van de we­reld eert hem door hem een Groot Man te noe­men. ‘Hier slui­mert BLA­EU, ge­drukt van de­zen klei­nen steen,

Al’t aer­t­rijk door be­kent, hoe quam hij aen zijn endt? De gan­sche wer­relt viel dien groo­ten man te kleen’.

Newspapers in Dutch

Newspapers from Netherlands

© PressReader. All rights reserved.