SALADIN EN DE KRUIS­TOCH­TEN

Na twee de­cen­nia oor­logs­voe­ring in het Na­bije Oos­ten was de Aj­joe­bi­di­sche sul­tan van Koer­di­sche kom­af ge­hard in de strijd. In 1187 leid­de hij een mach­tig le­ger in een ver­nie­ti­gen­de over­win­ning op de Fran­ken.

Alles over Geschiedenis - - Inhoud -

Op de zui­de­lij­ke heu­vel van de Ho­rens van Hat­tin her­groe­peer­de de lei­der van de kruis­vaar­ders zijn over­le­ven­de rid­ders voor een laat­ste uit­val. De lucht was ver­vuld van de ge­lui­den en de sfeer van ver­sla­gen­heid. Pij­len van mos­lim-boog­schut­ters kleur­den de he­mel zwart en re­gen­den neer, het ge­kerm van ge­won­den en ster­ven­den ging door merg en been en chris­te­lij­ke voetsol­da­ten pro­beer­den wan­ho­pig de mos­lims op af­stand te hou­den.

De rid­ders snel­den naar be­ne­den van­af ho­ger ge­le­gen grond. Hun doel­wit was Sa­ladins ge­le vaan­del, ver­de­digd door hon­der­den zwaar be­wa­pen­de sol­da­ten. De kruis­vaar­ders stoot­ten op de dich­te mos­lim-li­nies, die de Aj­joe­bi­di­sche sul­tan be­scherm­den. Lan­sen ver­splin­ter­den bij de bot­sing en de rid­ders voch­ten ver­der met zwaar­den en strijd­bij­len. Ze sloe­gen en zwaai­den ter­wijl ze zich een weg voch­ten naar de po­si­tie van de sul­tan. Als zijn vaan­del viel, kon de strijd mis­schien nog ge­won­nen wor­den. Het was 4 ju­li 1187 en de laat­ste fa­se in de Slag bij Hat­tin was be­gon­nen.

Ten tij­de van de­ze ti­ta­nen­strijd in het noor­den van Pa­les­ti­na was Sa­lah ad-Din Yoes­soef bin Aj­joeb, bij de Fran­ken be­ter be­kend als Saladin, 49 jaar oud. Zijn suc­ces­vol­le car­ri­è­re was in 1164 be­gon­nen. Toen stuur­de Nu­red­din, de Turk­se heer­ser van Sy­rië, de jon­ge of­fi­cier op een mi­li­tai­re ex­pe­di­tie naar het ka­li­faat van de Fa­ti­mi­den met zijn oom, de Koer­di­sche krijgs­heer Shirkuh. Shirkuh moest voor­ko­men dat het ver­zwak­te sjii­ti­sche ka­li­faat in Egyp­te in han­den zou val­len van de Fran­ken. De vijf ja­ren daar­na on­der­na­men Shirkuh en Saladin drie ver­schil­len­de veld­toch­ten naar Egyp­te. Ge­du­ren­de de laat­ste ex­pe­di­tie in ja­nu­a­ri 1169 werd Shirkuh be­noemd tot groot­vi­zier, of­te­wel be­lang­rijk­ste func­ti­o­na­ris van het ka­li­faat on­der ka­lief al-Adid.

Saladin kreeg schijn­baar veel kan­sen, maar hij moest wel erg alert zijn op pa­leis­in­tri­ges. Daar­bij kon ie­der­een het slacht­of­fer wor­den van een slu­we­re te­gen­stan­der. Toen Shirkuh stierf, twee maan­den na­dat hij vi­zier werd, nam Saladin die be­lang­rij­ke po­si­tie over van zijn oom. Dat gaf hem een in­vloed­rij­ke po­si­tie en hij bracht snel de rest van zijn fa­mi­lie over naar Egyp­te om ze als va­zal­len aan te stel­len.

Saladin bleef op­klim­men in de is­la­mi­ti­sche rang­or­de. Toen al-Adid laat in de zo­mer van 1171 stierf, werd Saladin ka­lief van Egyp­te. Nu­red­din keur­de de opvolging door Saladin goed, om­dat de sjii­ti­sche Fa­ti­mi­den-re­ge­ring op die ma­nier kon wor­den ver­van­gen door een soen­ni­ti­sche re­ge­ring. Sa­ladins gou­den kans kwam drie jaar la­ter toen Nu­red­din stierf. Hoe­wel diens elf jaar ou­de zoon hem op­volg­de, breid­de Saladin suc­ces­vol zijn heer­schap­pij uit naar Sy­rië.

Maar de strijd met ri­va­li­se­ren­de Turk­se prinsen in Sy­rië was een lang­lo­pen­de kwes­tie voor Saladin. De twee de­cen­nia er­na moest hij ba­lan­ce­ren tus­sen strijd met de kruis­vaar­ders­sta­ten en ri­va­li­se­ren­de prinsen van Nu­red­dins Zen­gi­den-dy­nas­tie. Hoe­wel Saladin in 1174 Da­mas­cus ver­o­ver­de zon­der bloed­ver­gie­ten, zou het nog bij­na tien jaar du­ren voor­dat hij in 1183 Alep­po ver­o­ver­de. Te­gen die tijd heerste hij over het groot­ste deel van Sy­rië en het oos­te­lijk daar­van ge­le­gen Ja­zi­ra. Hij ves­tig­de daar­mee een in­druk­wek­kend Aj­joe­bi­disch rijk, ver­noemd naar zijn fa­mi­lie­naam.

De heer­sers van het ri­va­li­se­ren­de Seltsjoe­ken­rijk en Aj­joe­bi­di­sche rijk wed­ij­ver­den voort­du­rend met el­kaar en bei­den ston­den on­der de Ab­ba­si­di­sche ka­lief in Bag­dad. Tij­dens zijn ja­ren­lan­ge cam­pag­nes te­gen de Zen­gi­den-dy­nas­tie moest Saladin steeds ver­ant­woor­den waar­om hij me­de-mos­lims be­vocht in plaats van de chris­te­lij­ke on­ge­lo­vi­gen. Saladin ver­tel­de de ka­lief dat hij eerst zijn macht moest uit­brei­den, voor­dat hij sterk ge­noeg was om de Fran­ken te ver­slaan.

In de herfst van 1183 viel Saladin het ko­nink­rijk Je­ru­za­lem bin­nen, de groot­ste van de drie kruis­vaar­ders­sta­ten. Guy de Lu­sig­nan, re­gent van het ko­nink­rijk Je­ru­za­lem, was vast-

be­slo­ten er een de­fen­sie­ve strijd van te ma­ken. Saladin zag geen gun­sti­ge aan­vals­kan­sen en trok zich te­rug. In de win­ter van 1186-87 vond ech­ter een in­ci­dent plaats dat Saladin aan­zet­te tot een nieu­we in­val. Heer Ray­nald van Châ­til­lon, een ge­zwo­ren vij­and van Saladin, plun­der­de een mos­lim­ka­ra­vaan die door zijn ge­bied trok, op weg van Ca­ï­ro naar Da­mas­cus.

In 1186 had Saladin een twee­ja­rig vre­des­ak­koord ge­slo­ten met Ray­nald, waar­bij de Fran­ki­sche ba­ron had be­loofd ka­ra­va­nen van Egyp­te naar Sy­rië on­ge­hin­derd door­gang te ge­ven. Maar Ray­nald nam de rijk­dom­men in be­slag en de rei­zi­gers ge­van­gen. Saladin eis­te meer­de­re ke­ren de ge­van­ge­nen en hun be­zit­tin­gen te­rug. De Ara­bi­sche ge­schied­kun­di­ge Ibn al-Athir schreef des­tijds: “Hij wei­ger­de steeds op­nieuw hier­aan ge­hoor te ge­ven. Saladin zwoer dat hij hem zou do­den als hij hem in han­den kreeg.”

In het voor­jaar van 1187 be­gon Saladin een groot le­ger op de been te bren­gen in Zuid-Sy­rië. Zijn ge­ne­raals wa­ren zijn neef Al-Mu­zaffar Umar en de in Koer­dis­tan ge­bo­ren Mu­zaffar ad-Din Gok­bo­ri. Zijn neef had het com­man­do over de rech­ter­flank en Gok­bo­ri leid­de de lin­ker­flank, ter­wijl Saladin het mid­den zou aan­voe­ren.

Saladin had on­ge­veer 30.000 troe­pen, waar­van de helft er­va­ren ca­va­le­rie was. Het ter­rein voor de strijd be­stond uit glooi­en­de heu­vels en uit­ge­strek­te gras­pla­teaus met over­al rots­for­ma­ties. In het ge­bied wa­ren ver­schil­len­de gro­te­re en klei­ne­re wa­ter­bron­nen. Saladin wil­de pro­be­ren de kruis­vaar­ders weg te hou­den van het Meer van Ga­li­lea, waar ze vol­doen­de wa­ter zou­den vin­den. Hij wil­de ze ook uit de buurt van de bron­nen hou­den.

In de laat­ste week van ju­ni stak Saladin met zijn le­ger de ri­vier de Jordaan over. De Aj­joe­bi­den sloe­gen hun kamp op bij Kafr Sabt, tien ki­lo­me­ter ten zui­den van Ti­be­ri­as. Het kruis­vaar­ders­le­ger ver­za­mel­de zich bij Sep­ho­rie, 24 ki­lo­me­ter van Ti­be­ri­as. Ko­ning Guy van Je­ru­za­lem voer­de 20.000 troe­pen aan, be­staan­de uit 15.000 in­fan­te­rie, 3800 ca­va­le­rie en 1200 rid­ders te paard. De paar­den wa­ren niet be­pant­serd en kwets­baar voor pij­len. Prins Ray­mond III van Tri­po­li com­man­deer­de de voor­hoe­de, Guy het cen­trum en graaf Ba­li­an van Ibe­lin leid­de de ach­ter­hoe­de. Die om­vat­te de rid­der­or­den van de Hos­pi­taal­rid­ders en de Tem­pe­liers.

Om de kruis­vaar­ders uit hun tent te lok­ken, voer­de Saladin op 2 ju­li per­soon­lijk een deel van zijn le­ger aan om Ti­be­ri­as te be­le­ge­ren. Guy hap­te toe, zon­der het aan­tal of de po­si­ties van de vij­an­de­lij­ke troe­pen te ver­ken­nen. Als ze se­ri­eu­ze te­gen­stand kre­gen, was de af­stand naar Ti­be­ri­us te ver om in een dag te over­brug­gen, maar Guy had he­le­maal niet be­dacht waar ze na de eer­ste dag mar­che­ren hun kamp zou­den op­slaan. De kruis­vaar­ders ver­trok­ken bij zons­op­gang op weg naar de bron van Tu­ran, waar een be­perk­te hoe­veel­heid wa­ter be­schik­baar was. Tij­dens de mars vorm­den voetsol­da­ten van de drie le­ger­een­he­den een be­scher­mend

cor­don rond de ser­ge­an­ten en rid­ders te paard. De kruis­vaar­ders be­reik­ten ‘s mid­dags Tu­ran, waar som­mi­ge man­schap­pen en paar­den wa­ter kre­gen. Ze had­den pas tien ki­lo­me­ter af­ge­legd. Guy be­sloot door te sto­ten naar het dorp Hat­tin, acht ki­lo­me­ter naar het noord­oos­ten. Daar was ruim vol­doen­de wa­ter.

Al snel ver­sche­nen de mos­lims in gro­ten ge­ta­le op bei­de flan­ken van het kruis­vaar­ders­le­ger. Sa­ladins tac­tiek was gro­ten­deels ver­ge­lijk­baar met die van de Mon­go­len en Azi­a­ti­sche step­pe­krij­gers. Hij be­stook­te de vij­and van al­le kan­ten en ver­zwak­te die met tal­lo­ze pij­len van zijn boog­schut­ters. Als de kruis­vaar­ders op de boog­schut­ters af­storm­den, ver­spreid­den ze zich en ver­me­den ze het ge­vecht.

Boog­schut­ters te paard zet­ten de he­le dag de voor­hoe­de van de kruis­vaar­ders on­der druk. Het ge­volg was dat te­gen de mid­dag de op­mars van de kruis­vaar­ders ver­liep in een slak­ken­gang. Guy stuur­de een bood­schap­per naar Ray­mond om ad­vies te vra­gen. Die stel­de voor het kamp voor de nacht op te slaan.

De kruis­vaar­ders be­von­den zich bij een split­sing met de naam Mas­ka­na, waar geen wa­ter was. Des­on­danks nam Guy het ad­vies van Ray­mond over. Mis­schien hoop­te hij dat de mos­lims zou­den aanvallen, want dan wa­ren de Fran­ken in het voor­deel. Maar Saladin had an­de­re plan­nen. De voor het me­ren­deel uit­ge­droog­de chris­te­nen slie­pen met hun wa­pens bin­nen hand­be­reik.

“De mos­lims wa­ren daar­en­te­gen hun aan­van­ke­lij­ke ont­zag voor de vij­and kwijt en op­ti­mis­tisch, en ze moe­dig­den el­kaar die nacht aan in de strijd”, schreef al-Athir. “Ze ro­ken de over­win­ning.”

Bij da­ge­raad ver­volg­den de kruis­vaar­ders hun mars. Mos­lim-boog­schut­ters vuur­den voort­du­rend pij­len af op hun flan­ken. Bo­ven­dien vie­len ze her­haal­de­lijk Ray­monds voor­hoe­de aan.

De in­fan­te­rie, die niet zo ge­dis­ci­pli­neerd was als de rid­ders, werd moe­de­loos. De voetsol­da­ten ver­lie­ten hun for­ma­tie, waar­door de rid­ders on­be­schermd wa­ren. De in­fan­te­rie dwaal­de af rich­ting de noor­de­lij­ke van de twee heu­vels die sa­men de Ho­rens van Hat­tin vorm­den. Guy smeek­te ze om in for­ma­tie te blij­ven, maar er was geen hou­den aan. De eni­ge hoop van de kruis­vaar­ders was om het dorp Hat­tin te be­rei­ken. Maar dat was in han­den van de mos­lims, en Sa­ladins troe­pen wa­ren niet van plan de chris­te­nen zo­ver te la­ten ko­men.

Hal­ver­we­ge de och­tend was de si­tu­a­tie zo wan­ho­pig ge­wor­den, dat Ray­mond zijn rid­ders ver­za­mel­de voor een fron­ta­le aan­val op de troe­pen van Al-Mu­zaffar. De aan­val was suc­ces­vol en Ray­mond, Ba­li­an en een tien­tal rid­ders ont­snap­ten. Guy bleef ach­ter met zijn ei­gen rid­ders en die van de twee rid­der­or­den.

In een laat­ste po­ging om zijn troe­pen moed in te bla­zen, liet Guy zijn rid­der­knech­ten zijn ro­de tent op­zet­ten op de flan­ken van de zui­de­lij­ke ho­ren. Zwa­re ca­va­le­rie met lan­sen over­rom­pel­de de po­si­tie van de kruis­vaar­ders en maak­ten daar­bij ook nog een re­li­kwie buit van het Hei­li­ge Kruis, dat be­lang­rijk was voor het mo­reel. Dit ver­lies deed het mo­reel he­le­maal in­stor­ten. Guy be­val zijn men­sen hun wa­pens neer te leg­gen en plat op de rots­ach­ti­ge grond te gaan lig­gen, on­der­wor­pen aan Sa­ladins ge­na­de.

De Fran­ken wer­den bij­een­ge­dre­ven en voor Saladin ge­leid. Cir­ca 200 Tem­pe­liers wer­den met­een ge­ëxe­cu­teerd. Saladin stem­de er­in toe los­geld te vra­gen voor Guy en de an­de­re ede­len. De ge­wo­ne sol­da­ten van het

kruis­vaar­ders­le­ger wer­den weg­ge­leid om als sla­ven te wor­den ver­kocht.

Men zegt dat Saladin Guy en Ray­nald van Châ­til­lon in zijn tent liet ko­men. Hij gaf een be­ker ijs­koud wa­ter aan Guy, maar toen die hem wil­de door­ge­ven aan Ray­nald, hield Saladin hem te­gen. Saladin hield zich aan zijn be­lof­te om Ray­nald te do­den en sloeg hem neer met zijn zwaard.

De Aj­joe­bi­di­sche sul­tan nam te­recht aan dat de ont­snap­te kruis­vaar­ders ver­ster­kin­gen zou­den op­roe­pen. Hij stuur­de zijn troe­pen er­op uit om zo­veel mo­ge­lijk stra­te­gi­sche bol­wer­ken in het ko­nink­rijk Je­ru­za­lem te ver­o­ve­ren voor­dat die zou­den ar­ri­ve­ren. Na­dat hij op

8 ju­li Ak­ko had ver­o­verd, richt­te Saladin zijn aan­dacht op Ty­rus. Ge­luk­kig voor de chris­te­nen was eer­der die maand een nieu­we lei­der ge­ar­ri­veerd. Mar­kies Koen­raad van Mon­fer­ra­to, die een kruis­vaart ver­koos bo­ven po­li­tie­ke pro­ble­men thuis, or­ga­ni­seer­de een ster­ke ver­de­di­ging. De on­ge­dul­di­ge Saladin wil­de ech­ter Je­ru­za­lem ver­o­ve­ren en trok zuid­waarts.

Meer dan twee maan­den la­ter, op 20 sep­tem­ber, na­der­den Sa­ladins 20.000 man­schap­pen de mu­ren van Je­ru­za­lem. Ba­li­an van Ibe­lin had het be­vel over zo’n 5000 man. De be­vol­king was door de toe­stroom van vluch­te­lin­gen aan­ge­zwol­len tot 60.000. De sul­tan was ze­ker niet van plan het be­leg af te bre­ken, zo­als hij bij Ty­rus had ge­daan. De Aj­joe­bi­di­sche lei­der “zwoer een eed niet te ver­trek­ken voor­dat hij zijn stan­daard op het hoog­ste punt had ge­plant en met ei­gen voe­ten de grond had be­tre­den waar de pro­feet (Mo­ham­med) voet had ge­zet”, schreef Imad ad-Din, Sa­ladins schrij­ver tij­dens de cam­pag­ne.

Sa­ladins man­nen na­men stel­ling ten noor­den en wes­ten te­gen­over de Ste­fa­nus­poort en Da­vidspoort. Vijf da­gen lang pro­beer­den de Aj­joe­bi­den de poor­ten te be­stor­men en de mu­ren te be­klim­men. Maar de mos­lims slaag­den er al die tijd niet in de west­muur te be­stor­men. Daar­om gaf Saladin op­dracht het le­ger op­nieuw op te stel­len in een boog rond­om de noord­oos­te­lij­ke hoek van de stad. Hij liet ook er­va­ren sap­peurs uit Alep­po de mu­ren on­der­mij­nen. Di­ver­se teams werk­ten de vol­gen­de vier da­gen on­op­hou­de­lijk om de mu­ren te ver­zwak­ken. Op 29 sep­tem­ber haal­den ze een deel van de bui­ten­muur neer aan de noord­kant bij de Hero­despoort.

Saladin spaar­de de stad. In plaats van on­schul­di­gen af te slach­ten, be­sloot hij dat ze zich­zelf kon­den vrij­ko­pen. Na be­ta­ling van het los­geld had­den ze veer­tig da­gen de tijd om te ver­trek­ken. Het idee kwam vol­gens al-Athir van Sa­ladins ad­vi­seurs. “La­ten we ze al­vast be­schou­wen als on­ze ge­van­gen en met ze af­spre­ken hoe ze zich­zelf kun­nen vrij­ko­pen”, ver­tel­den Sa­ladins ad­vi­seurs hem.

Saladin stel­de een los­geld vast van tien goud­stuk­ken voor el­ke man, vijf voor el­ke vrouw en een per kind. On­ge­veer twee der­de van de chris­te­nen kon hun ei­gen los­geld be­ta­len, maar de rest was te arm. Ba­li­an gaf Saladin 30.000 goud­stuk­ken uit de schat­kist van de stad om 7000 ar­men vrij te ko­pen, maar de rest werd af­ge­voerd en als sla­ven ver­kocht.

De mos­lims na­men Je­ru­za­lem op 2 ok­to­ber over. Aj­joe­bi­di­sche vaan­dels wer­den over­al in de stad ge­he­sen. Een week la­ter was Saladin aan­we­zig bij het vrij­dag­mid­dag­ge­bed in Je­ru­za­lems Al-Aqsa­mos­kee. Daar­na gaf hij op­dracht om de mos­kee, die ont­hei­ligd was ge­weest, te her­stel­len in zijn oor­spron­ke­lij­ke glo­rie met mar­mer, gou­den be­te­ge­ling en mo­za­ïe­ken.

Kort daar­na on­der­na­men zo­wel ko­ning Ri­chard I van En­ge­land als ko­ning Phi­lip II van Frank­rijk een kruis­tocht om Je­ru­za­lem te her­o­ve­ren. Ze na­men deel aan de bloe­di­ge Der­de Kruis­tocht te­gen Saladin van 1189 tot 1192. Ze wis­ten Ak­ko en an­de­re plaat­sen weer in te ne­men. Je­ru­za­lem bleef in mos­lim­han­den dank­zij Sa­ladins ver­mo­gen om voor­heen ver­deel­de mos­lim­groe­pen te ver­e­ni­gen.

Saladin was de op­rich­ter van de Aj­joe­bi­di­sche dy­nas­tie.

Hoe­wel hij na zijn dood veel­al werd ver­ge­ten, werd Saladin la­ter ge­zien als een eer­vol­le rid­der, zo­als in de­ze 19e-eeuw­se af­beel­ding.

Het mau­so­le­um van Saladin be­vat twee sar­co­fa­gen, waar­van er een de res­ten van de sul­tan zou­den be­vat­ten. Je­ru­za­lems Da­mas­cus­poort stond in de tijd dat de kruis­vaar­ders de stad be­zet­ten be­kend als de St.-Ste­fanspoort.

Newspapers in Dutch

Newspapers from Netherlands

© PressReader. All rights reserved.