“Hij zag kans om een eeu­wen­lan­ge ve­te te la­ten val­len die zo veel Egyp­te­na­ren het le­ven had­den ge­kost”

Alles over Geschiedenis - - De Macht Van De Farao -

ge­duch­te be­drei­ging, ook voor de Egyp­te­na­ren. En dus stel­de ko­ning Hatt­us­il­lis voor om één front te vor­men te­gen de­ze nieu­we vij­and!

Het vre­des­ver­drag dat in het VN-ge­bouw hangt is een toon­beeld van de lan­ge-ter­mijn­vi­sie van Ram­ses. Hij zou het aan­bod van Hatt­us­il­lis kun­nen zien als een te­ken van zwak­te, om ver­vol­gens vol in de aan­val te gaan. In plaats daar­van zag hij de kans om een eeu­wen­lan­ge ve­te af te slui­ten die veel Egyp­te­na­ren het le­ven had ge­kost. Daar­mee zou hij voor lang­du­ri­ge vre­de kun­nen zor­gen. Om de nieu­we band tus­sen de Het­tie­ten en de Egyp­te­na­ren kracht bij te zet­ten, ac­cep­teer­de Ram­ses het ge­schenk en nam één van Hatt­us­il­lis’ doch­ters als zijn ze­ven­de vrouw.

In Pi­ra­mes­se, de ko­nink­lij­ke hoofd­stad, ble­ken de nieu­we Het­ti­ti­sche bond­ge­no­ten een aan­winst voor het Egyp­ti­sche le­ger. De hoofd­stad was niet al­leen be­doeld om de wel­va­rend­heid van het rijk te to­nen. Het huis­vest­te ook het groot­ste ar­se­naal van de fa­rao en be­schik­te over een gro­te brons­smel­te­rij die zwaar­den, spe­ren en pijl­pun­ten voor het Egyp­ti­sche le­ger le­ver­de. Vlak na­dat het vre­des­ver­drag ge­te­kend was, liet Ram­ses een aan­tal Het­ti­ti­sche am­bachts­lie­den over­ko­men om de wer­kers in het ar­se­naal uit te leg­gen hoe ze hun ge­wel­di­ge Het­ti­ti­sche schil­den maak­ten. Dat was ook wel no­dig, want er wa­ren vij­an­den ge­noeg die de Egyp­te­na­ren be­dreig­den. Tot het ein­de van zijn be­wind ver­de­dig­de Ram­ses vol over­ga­ve de grens­ge­bie­den te­gen be­drei­gin­gen uit on­der an­de­re Li­bië en As­sy­rië.

Ram­ses’ macht ging ver­der dan zijn mi­li­tai­re macht; hij was een god on­der de men­sen. Om zijn in­vloed als re­li­gi­eus lei­der te dui­den, is het be­lang­rijk om te we­ten hoe de Egyp­te­na­ren naar

De fa­rao was – ui­ter­aard – niet zo­maar een Egyp­te­naar. De bur­gers za­gen hun fa­rao als een tus­sen­vorm tus­sen het god­de­lij­ke en het men­se­lij­ke. De vroe­ge fa­rao’s wer­den ge­zien als de re­ïn­car­na­tie van go­den, met na­me Horus. Van­af de vier­de dy­nas­tie be­gon de zon een be­lang­rij­ke rol te spe­len in de sa­men­le­ving. De oor­sprong van de fa­rao ver­an­der­de mee: fa­rao’s wer­den van­af dat mo­ment ge­zien als de zo­nen van Ra, de Zon­ne­god. Weer la­ter speel­de ook Osi­ris een be­lang­rij­ke rol: hij zou de le­vens­kracht ge­schon­ken heb­ben aan de fa­rao’s. Het is dui­de­lijk: de fa­rao was nie­mand min­der dan de aard­se link naar een god­de­lij­ke groot­heid.

De re­ge­ring van het Ou­de Egyp­te was een the­o­cra­tie met de fa­rao als een ab­so­lu­te mo­narch. Dat be­te­kent niet dat Ram­ses zijn on­der­da­nen per­soon­lijk in de ga­ten hield en be­stuur­de. Hij had twee groot­vi­ziers in dienst: een­tje voor Op­per-Egyp­te en een voor Ne­derEgyp­te. Ze leid­den een groot net­werk aan amb­te­na­ren en dien­den als op­per­rech­ters van de Egyp­ti­sche recht­bank. Ze re­gel­den het ver­za­me­len van de be­las­tin­gen, be­heer­den de graan­re­ser­ves, be­mid­del­den in ru­zies over ge­bie­den en hiel­den nauw­keu­rig bij wat het wa­ter­ni­veau van de Nijl was en hoe­veel re­gen er viel. Pen­ning­mees­ters be­heer­den de fi­nan­ci­ën van de “kerk” en de staat. Ze be­heer­den bo­ven­dien de steen­groe­ven die ste­nen voor de na­ti­o­na­le mo­nu­men­ten le­ver­den.

Als een ge­mid­del­de Egyp­te­naar een groot pro­bleem had, be­sprak hij het met een lo­ka­le gou­ver­neur die de lei­ding had over één van de 42

Newspapers in Dutch

Newspapers from Netherlands

© PressReader. All rights reserved.