Cran­ber­ry’s pluk­ken met een Kia Ni­ro

Auto Review - - INHOUD - Tekst: An­ne Hees­ink · Fo­to’s: Wil­lem van San­ten

Cran­ber­ry’s ho­ren bij kerst. Oor­spron­ke­lijk ko­men de bes­sen uit Noord-Ame­ri­ka, maar sinds 150 jaar groei­en ze ook op Ter­schel­ling. On­ze col­le­ga’s van kook­ma­ga­zi­ne foodies leen­den een Kia Ni­ro en gin­gen op road­trip naar de Wad­den, waar ze een kerst­ver­haal maak­ten met de hoofd­rol voor de ro­de zu­re bes.

We zien el­kaar op het Stu­den­ten­plak ach­ter de Bes­sen­schuur." Ik lees het mail­tje van Joop van Urk, ei­ge­naar van cran­ber­ry­be­drijf Cran­ber­ry Ter­schel­ling, voor de ze­ker­heid nog even na. De ge­heim­zin­ni­ge bood­schap doet aan als­of we heb­ben af­ge­spro­ken in een soort sprook­jes­land. Dat is Ter­schel­ling op de­ze vroe­ge och­tend in sep­tem­ber ook wel een beet­je. De zee­mist trekt in flar­den weg door de rap op­ko­men­de zon en bord­jes langs de hoofd­weg van het ei­land wij­zen on­ze Kia de weg naar de Bes­sen­schuur, een kof­fie­en thee­huis an­nex mu­se­um dat toe­be­hoort aan het cran­ber­ry­be­drijf. Het is een van de toe­ris­ti­sche at­trac­ties van het ei­land, om­dat Ter­schel­ling de eni­ge plek is in Eu­ro­pa waar de cran­ber­ry zo rij­ke­lijk groeit.

TU­RE­LUURS

“Ja­ren ge­le­den hielp ik in de Bes­sen­schuur een dag­je mee met de jam­pro­duc­tie”, ver­telt Joop. “Van de he­le dag dek­sel­tjes draai­en werd ik tu­re­luurs, dus in­for­meer­de ik of ik geen an­de­re klus­sen kon krij­gen. Uit­ein­de­lijk ben ik full­ti­me bij het cran­ber­ry­be­drijf gaan wer­ken en van­af 2001 sta ik zelf aan het roer.” De cran­ber­ry’s zijn Joop niet met de pap­le­pel in­ge­go­ten; oor­spron­ke­lijk komt hij uit een schip­pers­fa­mi­lie. Als de groot­va­der van Joop in 1898 van­uit Urk aan­komt op Ter­schel­ling, is nog maar der­tig jaar be­kend dat hier een unie­ke bes groeit, waar­mee zijn klein­zoon la­ter zijn brood zal ver­die­nen. De eer­ste cran­ber­ry­plant op Ter­schel­ling werd in 1868 ont­dekt door de Ne­der­land­se bo­ta­ni­cus Fran­cis­cus Hol­ke­ma. Op zoek naar bij­zon­de­re plan­ten in de duin­val­lei­en van de Wad­den­ei­lan­den – voor de bouw van de Af­sluit­dijk nog Noord­zee­ei­lan­den ge­noemd – stuit­te hij op de zich snel uit­brei­den­de hei­de­ach­ti­ge plant met diep­ro­de bes­sen. Lang kon hij niet van zijn ont­dek­king ge­nie­ten, want kort er­na stierf hij aan de ge­vol­gen van TBC. Zijn stu­den­ten na­men het on­der­zoeks­werk van hem over. De duin­val­lei of ‘wa­ter­plak’ waar de eer­ste cran­ber­ry ge­von­den werd, draagt daar­om nog steeds de naam Stu­den­ten­plak. De na­ti­o­na­le aan­dacht prik­kel­de de nieuws­gie­rig­heid van de ei­land­be­wo­ners; dit moest wel iets heel unieks zijn.

JUT­TERS­HART

Oor­spron­ke­lijk kwam de cran­ber­ry al­leen voor in Ame­ri­ka, aan de an­de­re kant van de oce­aan. Hoe hij op Ter­schel­ling is aan­ge­ko­men, laat zich dan ook mak­ke­lijk ra­den – aan­ge­spoeld van­uit het wes­ten. Op een on­stui­mi­ge nacht waar­op de noord­wes­ter over het ei­land blies, zo gaat de le­gen­de, voel­de Pie­ter Sip­kes Cu­pi­do zijn jut­ters­hart snel­ler klop­pen. Bij Paal 3 vond hij een hou­ten vat. Dat be­te­ken­de dat er mis­schien wel een flin­ke bor­rel in het ver­schiet lag, want vaak was zo’n ton ge­vuld met wijn of rum. Pie­ter Sip­kes be­groef de ton in een duin­pan, vei­lig op­ge­bor­gen voor de strand­von­de­rij, het in­sti­tuut waar ge­von­den voor­wer­pen uit de zee aan­ge­ge­ven moe­ten

wor­den. Na een paar da­gen kon Pie­ter Sip­kes zijn nieuws­gie­rig­heid niet meer be­dwin­gen en open­de het vat. Hij zag geen wijn, geen rum, maar har­de zu­re bes­sen. Te­leur­ge­steld leeg­de hij het vat in de duin­pan­nen en toog huis­waarts. De stuif­wind be­dek­te de bes­sen, zo­dat en­ke­le maan­den la­ter de eer­ste groe­ne stren­gen in de duin­val­lei groei­den. Zo zet­te de cran­ber­ry voet aan wal in Ne­der­land. Niet zo­maar een zee­mans­ver­haal als je het Joop vraagt: “Ik heb het zelf ge­test. Ik heb een hand­je bes­sen in de dui­nen neer­ge­legd en de wind zijn werk la­ten doen. En ja, na drie maan­den vond ik op die plek in­der­daad een pluk cran­ber­ry. Dat ver­haal zou dus zo­maar he­le­maal waar kun­nen zijn.”

ME­TA­LEN KAM

“Het heeft al­le­maal te ma­ken met de bo­dem”, legt Joop uit, ter­wijl we sa­men met cran­ber­ry­pluk­ker An­dré Lam­bregts in de Kia naar een gro­te open plek ach­ter de dui­nen rij­den. “Het is een kies­keu­rig bes­je, de cran­ber­ry. De Wad­den­ei­lan­den zijn op­ge­bouwd uit kalk­hou­den­de schelp­grond. De ver­hou­ding kalk en zuur is op Ter­schel­ling op­ti­maal voor de plant. Zelfs op het naast­ge­le­gen Ame­land doet de cran­ber­ry het niet zo goed, want daar is de schel­pen­laag maar de helft zo dik.” Nog voor we het open veld be­rei­ken, rui­ken we de cran­ber­ry’s al: fris­zuur, krui­dig en prik­ke­lend. Joop: “Je zou hier eens in de bloei­tijd moe­ten rond­lo­pen. De zwa­re, zoe­te geur van cran­ber­ry­bloe­sem is voor mij het te­ken dat de len­te is be­gon­nen, dat de bes­sen weer be­gin­nen te groei­en. Het mooi­ste mo­ment van het jaar.” Ter­wijl we lo­pen, knap­pen de bes­jes on­der on­ze laar­zen. Het veld ligt er vol mee. An­dré gaat ons met zijn hon­den Maam en Fi­ka voor, hij draagt een gro­te me­ta­len kam met hand­vat­ten. “Mijn pluk­bak, zelf­ge­maakt”, legt hij uit. Sinds zijn ze­ven­tien­de staat hij elk na­jaar voor dag en dauw op om cran­ber­ry’s te oog­sten. En dat al twee­ën­veer­tig jaar. “Ver­ve­len gaat het nooit. Ster­ker nog, tij­dens het pluk­ken kom ik in een soort flow en kan ik niet meer stop­pen. Maar vind je het gek? Ik ben de he­le dag bui­ten met mijn hon­den. Voor mij geen kan­toor­baan.”

LE­PEL­TJES­HEI­DE

Het be­drijf van Joop heeft op Ter­schel­ling al­le pluk­en pacht­rech­ten. Al­leen Joop mag in het wild cran­ber­ry’s pluk­ken. De vel­den strek­ken zich uit over wel 20 km duin­ge­bied. Net als hei­de groeit de bes dicht op de bo­dem, in stro­ken van zo’n hal­ve me­ter breed met een even bre­de af­stand er­tus­sen. Joop wijst op de stren­gen met blaad­jes waar­uit de plant be­staat: “Vroe­ger noem­den we de cran­ber­ry le­pel­tjes­hei­de, naar de vorm van de blaad­jes.” Het is An­dré’s taak om met de tan­den van de pluk­bak de bes­sen van de plant te kam­men: “Het is voor­na­me­lijk tech­niek, maar je hebt er wel uit­hou­dings­ver­mo­gen voor no­dig. We heb­ben eens een Zuid­Afri­kaans rug­by­team ge­had dat kwam pluk­ken als trai­ning. Die jon­gens wa­ren na een uur af­ge­mat. En maar bo­ter­ham­men eten, sta­pels! Zúl­ke ke­rels wa­ren dat. Ik hou dit wel een dag vol hoor. Op drie bo­ter­ham­men en een hand­vol bes­sen.” De bo­ven­ar­men van An­dré doen ver­moe­den dat goed ont­wik­kel­de spier­bal­len geen over­bo­di­ge luxe zijn. Ik test het als ik de pluk­bak in mijn han­den ge­drukt krijg. En nee, het valt me niet mee. De kunst is om de zwa­re pluk­bak over de bo­dem te la­ten kan­te­len, zo­dat je de plant zelf zo veel mo­ge­lijk in­tact houdt en al­leen de bes­jes op­schept. Ik richt meer scha­de aan dan dat ik bes­sen pluk. En het was al niet zo’n fan­tas­tisch cran­ber­ry­jaar. Joop slaapt er geen nacht min­der om: “Vo­rig jaar was de oogst ge­wel­dig. Je hebt het maar te ac­cep­te­ren, want aan het groei­pro­ces kun je wei­nig doen. De cran­ber­ry is het wild van vruch­ten­land. Be­mes­ten, de bo­dem ver­rij­ken – het heeft al­le­maal geen zin. We heb­ben ei­gen­lijk maar één vij­and die de cran­ber­ry kan ver­drin­gen en dat is de kruid­wilg. Die plant trek­ken we er op ons land snel uit. We kun­nen hier hon­derd pro­cent bi­o­lo­gisch pluk­ken zon­der pes­ti­ci­den te ge­brui­ken, want vo­gels of in­sec­ten blie­ven de bes niet van­we­ge zijn stug­ge schil en zu­re ka­rak­ter.”

"Ik heb een hand­je bes­sen in de dui­nen neer­ge­legd en de wind zijn werk la­ten doen."

CLAN­DES­TIEN PLUK­KEN

Op Ter­schel­ling groei­en drie soor­ten cran­ber­ry’s: de ‘ear­ly black’ – de va­ri­ant die het vroegst rijp is en die we nu oog­sten – de ‘la­te howes’ en de ‘mc ste­vens’. Al­le­maal va­ri­an­ten van de vac­ci­ni­um ma­cro­car­pon, een net iets an­de­re cran­ber­ry­soort dan die uit Ame­ri­ka. De Ter­schel­lin­ger bes is klei­ner en heeft een ron­de­re vorm. Joop pikt een bes uit de in­mid­dels goed ge­vul­de mand: “Eet er maar een, dan hoef je daar­na geen vi­ta­mi­ne­pil meer. Cran­ber­ry’s zit­ten bar­stens­vol vi­ta­mi­ne C.” An­dré: “Tij­dens de oogst vind je ook ge­re­geld bes­sen van vo­rig jaar op de grond, die heb­ben daar dan een jaar lig­gen fer­men­te­ren. Je kunt ze ge­woon eten, ze sma­ken naar wijn. Van­we­ge die har­de schil ko­men er geen scha­de­lij­ke bac­te­ri­ën in de bes­sen en gaan ze niet rot­ten.” Joop vult aan: “Cran­ber­ry’s zijn heel lang houd­baar. Vroe­ger gaf mijn moe­der me in sep­tem­ber de op­dracht in de dui­nen bes­sen te gaan ha­len voor Kerst­mis. Clan­des­tien na­tuur­lijk, want wij had­den geen pluk­rech­ten. Tot de kerst kon­den we de bes­sen ge­rust op zol­der la­ten lig­gen. Als je ze met de hand plukt – wat we nu ge­luk­kig niet meer doen – dan blijft de schil gaaf en kun je de bes­sen maan­den be­wa­ren. Met de pluk­bak maak je klei­ne kuil­tjes in de schil van de bes­sen en zijn ze rauw iets min­der ge­schikt voor de ver­s­markt.”

KNIK­KER­BAK

Om te tes­ten of Joop na de oogst met cran­ber­ry’s voor de ver­s­markt te ma­ken heeft, gooit hij ze over een soort knik­ker­bak met zes hor­des. Ver­se cran­ber­ry’s ho­ren na­me­lijk te stui­te­ren. De cran­ber­ry’s die over al­le zes de hor­des ge­stui­terd zijn, zijn ge­schikt voor de ver­s­markt. “Het groot­ste deel van on­ze cran­ber­ry’s ver­ko­pen we als sap. Als een van de wei­ni­ge pro­du­cen­ten per­sen we het sap di­rect uit de bes in de fles. Van­we­ge het ho­ge per­cen­ta­ge ben­zoë­zuur is het sap zeer lang houd­baar.” Sinds het al­ge­meen be­kend is dat de bes van­we­ge dit ben­zoë­zuur goed is voor blaas en nie­ren, heeft de ver­koop van het sap een enor­me vlucht ge­no­men. Joop: “Vroe­ger had­den we ons fa­briek­je hier op Ter­schel­ling in For­merum, maar we groei­den wel erg hard. Voor de dis­tri­bu­tie was het ei­gen­lijk ook han­di­ger om ons sap op het vas­te­land te pro­du­ce­ren, dus nu zit­ten we in Har­lin­gen. Dat was wel even slik­ken hoor, als ei­lan­der.” Maar ook op het vas­te­land is Joops be­drijf in goe­de han­den. Zijn ene doch­ter woont in Har­lin­gen en neemt daar de pro­duc­tie waar, zijn an­de­re doch­ter is ver­knocht aan Ter­schel­ling en neemt het be­drijf op het ei­land voor haar re­ke­ning. Joop: “Ho­pe­lijk wordt het een mooi fa­mi­lie­be­drijf. Weet je hoe mijn klein­kin­de­ren me noe­men?” La­chend geeft hij zelf het ant­woord: “Jo­pie Bes.”

De Ni­ro laat zich moei­lijk in een hok­je stop­pen. Het is een sta­ti­on-suv­cros­sover- din­ge­smpv, of iets der­ge­lijks.

Geen toe­ren­tel­ler, maar een eco­me­ter. Dank­zij elek­tri­sche as­sis­ten­tie blijft het ben­zi­ne­ver­bruik laag.

Newspapers in Dutch

Newspapers from Netherlands

© PressReader. All rights reserved.