Chrys­ler Ne­w­port Con­ver­ti­ble

Classic Cars (Netherlands) - - Inhoud - Tekst en fo­to's: Igor Stuif­zand

Met een Chrys­ler Ne­w­port Con­ver­ti­ble uit 1961 gaan we op zoek naar wat er res­teert van de his­to­ri­sche weg die ooit te boek stond

als de slag­ader van de Ver­e­nig­de Sta­ten: Rou­te 66.

In de gro­te eta­la­ge­rui­ten aan weers­zij­den van High­way One-Hund­red is voor­zich­ti­ge hoop waar­neem­baar. On­der­ne­mers die ge­du­ren­de de ja­ren­lan­ge cri­sis het hoofd boven wa­ter heb­ben ge­hou­den, zin­spe­len weer op het con­su­men­ten­ver­trou­wen dat zich lang­zaam maar ze­ker her­stelt. Hier in Man­ches­ter, een wes­te­lij­ke voor­stad van St. Louis, Mis­sou­ri, staan de ter­rei­nen vol nieu­we glim­men­de se­dans, suv’s en wa­gons, in af­wach­ting van een ko­per. Fel­ro­de lak wordt af­ge­wis­seld door sneeuw­wit en he­mels­blauw, pre­cies de­zelf­de kleu­ren als de Stars and Stri­pes die bij el­ke dea­ler vol trots in top wap­pert. De te­gen­woor­di­ge tijd staat in schril con­trast met de zor­ge­loos­heid die hier lang ge­le­den heerste. De tank­sta­ti­ons, de su­per­mark­ten en de dri­ve-in­res­tau­rants van nu zijn mis­troos­ti­ge uni­for­me blok­ken­do­zen, waar geen en­ke­le ar­chi­tec­to­ni­sche be­zie­ling van uit­gaat. Ge­zel­li­ger dan de plaat­se­lij­ke St­ar­bucks wordt het he­laas niet. Dat maakt het niet een­vou­dig om je te ver­plaat­sen naar de ja­ren zes­tig, toen High­way 100 nog deel uit­maak­te van de weg die door de Ame­ri­ka­nen lief­ko­zend Mo­ther road werd ge­noemd. Af­ge­zien van de lig­ging op de kaart, is er van de my­thi­sche Rou­te 66 wei­nig meer over.

Als een ro­de kar­di­naal

Het is snik­heet in de sub­urbs van St. Louis. De air­co blaast een koud bries­je op on­ze sche­nen, maar dat weer­houdt de zon er niet van om de blo­te hoofd­huid zo rood te kleu­ren als de thuis­shirts van de Car­di­nals, het o-zo suc­ces­vol­le honk­bal­team van St. Louis. We snak­ken naar ver­koe­ling en slaan op High­way 100 links­af rich­ting het zui­den. Op Mera­mec Sta­ti­on Road vin­den we Fritz’s Fro­zen Custard, waar we pon­ti­fi­caal voor de deur par­ke­ren. De beel­den die bij de his­to­ri­sche Rou­te 66 ho­ren, ko­men hier ein­de­lijk tot le­ven. Ter­wijl ach­ter de ra­men de ne­on­ver­lich­ting knip­pert, doen het wit­te pleis­ter­werk en de pas­tel­kleu­ren op de mu­ren pijn aan je ogen, zo fel schijnt de zon. We ma­ken in de scha­duw van het af­dak een keu­ze uit de on­tel­ba­re hoe­veel­he­den top­pings en snoe­pen het ijs op voor­dat het ge­smol­ten is. “En­joy your cus­tards and ha­ve a ni­ce day, gent­le­men!”

De kleu­ren van de ijs­win­kel – sneeuw­wit met he­mels blauw – zien we te­rug in de Chrys­ler Ne­w­port Con­ver­ti­ble waar­mee we van­daag on­der­weg zijn. Ei­ge­naar Roel Har­ry­van kocht de­ze au­to al snel na­dat hij zich met zijn ge­zin in St. Louis had ge­ves­tigd. “Ik heb een zwak voor de pro­duc­ten van de Chrys­ler Cor­po­ra­ti­on en wil­de al­tijd al een au­to heb­ben uit mijn ge­boor­te­jaar 1961.” Met de Ne­w­port Con­ver­ti­ble kocht Roel on­be­wust ook een zeld­za­me klas­sie­ker: er wer­den in 1961 slechts 2135 exem­pla­ren van dit mo­del ge­bouwd, waar­van er nog maar 46 be­kend zijn.

Uit­zon­de­ring

Be­gin ja­ren zes­tig on­der­gin­gen de mees­te Ame­ri­kaan­se au­to’s een ge­daan­te­ver­wis­se­ling. De staart­vin­nen die zo ken­mer­kend wa­ren voor de mo­del­len uit de ja­ren vijf­tig, had­den aan de voor­avond van het nieu­we de­cen­ni­um let­ter­lijk en fi­guur­lijk hun hoog­te­punt be­reikt. Van­af mo­del­jaar 1960 zwak­ten de mees­te Ame­ri­kaan­se au­to­bou­wers het for­maat van de vin­nen flink af, maar op die re­gel vorm­de de Chrys­ler Cor­po­ra­ti­on een uit­zon­de­ring. Hoofd­ont­wer­per Vir­gil Ex­ner ge­loof­de na­me­lijk hei­lig in het nut van de staart­vin­nen: ze zou­den een au­to meer sta­bi­li­teit in rech­te lijn ge­ven. De veel scher­pe­re en mo­der­ne­re vorm­taal van de con­cur­ren­tie was voor Ex­ner een stap in de ver­keer­de rich­ting.

Niet dat de ge­vleu­gel­de Chrys­lers, Dod­ges, DeSo­to's en Ply­mouths voor 1960 en 1961 je nou ver te­rug in de fif­ties wier­pen. In­te­gen­deel: on­der het plaat­werk ging een voor­uit­stre­ven­de con­struc­tie schuil. Ter­wijl de con­cur­ren­tie zich voor­al con­cen­treer­de op het de­sign en de

De beel­den die bij de his­to­ri­sche

Rou­te 66 ho­ren, ko­men hier ein­de­lijk tot le­ven.

mo­to­ren – en daar­bij het tra­di­ti­o­ne­le lad­der­chas­sis on­ge­moeid lie­ten – stap­te Chrys­ler van­af 1960 over op de zelf­dra­gen­de car­ros­se­rie, met een sub­fra­me voor de ge­he­le voor­trein. Daar­mee was Chrys­ler trou­wens niet het al­ler­eer­ste Ame­ri­kaan­se merk: in 1941 had de Nash 600 al een soort­ge­lij­ke uni­bo­dy. Maar zo groot­scha­lig als de Chrys­ler Cor­po­ra­ti­on over­stap­te op de zelf­dra­gen­de car­ros­se­rie, was in Ame­ri­ka nog niet eer­der ver­toond.

De nieu­we bouw­wij­ze bracht een aan­tal ele­men­tai­re voor­de­len met zich mee. Door­dat de ko­ker­bal­ken deel uit­maak­ten van de car­ros­se­rie, en schroe­ven en bou­ten plaats had­den ge­maakt voor punt­las­sen, ont­stond een veel ster­ker ge­heel. In een Dod­ge-ad­ver­ten­tie uit 1960 is te le­zen dat de zelf­dra­gen­de car­ros­se­rie zelfs “twi­ce as strong and twi­ce as tight as or­di­na­ry bo­dy-and-fra­me con­struc­ti­on” is. Hier­door wer­den niet al­leen de ge­brui­ke­lij­ke ram­mels en tril­lin­gen ge­ë­li­mi­neerd, maar kre­gen de au­to's ook be­te­re rij­ei­gen­schap­pen.

Een an­de­re be­lang­rij­ke ver­be­te­ring ten op­zich­te van de voor­gaan­de mo­del­ja­ren was de gron­di­ge an­ti-roest­be­han­de­ling die de au­to’s tij­dens de pro­duc­tie on­der­gin­gen. Op dit vlak had Chrys­ler ook wel iets goed te ma­ken. Het mo­del­jaar 1957 stond het con­cern nog hel­der voor de geest: er was toen veel meer aan­dacht uit­ge­gaan naar het de­sign dan naar de bouw­kwa­li­teit, met ramp­za­li­ge

ge­vol­gen. Door voort­aan el­ke car­ros­se­rie in een bad met een roest­we­rend mid­del te dom­pe­len, wa­ren de au­to's van­af 1960 een veel lan­ger be­staan be­scho­ren.

On­danks de voor­uit­stre­ven­de con­struc­tie en de gron­di­ge kwa­li­teits­ver­be­te­ring, liep het Ame­ri­kaan­se ko­pers­pu­bliek niet erg warm voor de nieu­we mo­del­len van Chrys­ler. Het ou­bol­li­ge de­sign sloeg niet aan en over al­le on­der­huid­se ver­nieu­win­gen hield Chrys­ler zich op de op­per­vlak­te. Het leek wel als­of Chrys­ler na het pro­bleem­jaar 1957 niet op­nieuw het on­heil over zich uit wil­de roe­pen: de in­tro­duc­tie van de zelf­dra­gen­de car­ros­se­rie ging zo­doen­de in al­le stil­te voor­bij. Door de­ze voor­zich­ti­ge be­na­de­ring heb­ben de mo­del­len voor 1960 en 1961 nooit de waar­de­ring ge­kre­gen die zij ei­gen­lijk ver­dien­den.

Stof ver­ga­ren

We slaan links­af, High­way 100 weer op. De zoe­te smaak van on­ze cus­tards wordt ver­dre­ven door de aan­blik van­uit de 55 jaar ou­de Ne­w­port op de le­lij­ke hoe­ki­ge laag­bouw. Een paar mijl ver­der­op, in wes­te­lij­ke rich­ting ter hoog­te van El­lis­vil­le, ver­an­dert High­way 100 in een snel­weg met ge­schei­den rij­ba­nen. Bor­den langs de kant van de weg ver­tel­len dat dit tra­ject deel heeft uit­ge­maakt van de his­to­ri­sche Rou­te 66, maar daar­van is in de verste ver­te niets meer te­rug te vin­den. De weg is als een li­ni­aal zo recht, met een bre­de mid­den­berm en aan weers­zij­den een ge­luids­wal die het ver­keers­ru­moer uit de ach­ter­lig­gen­de sub­urbs moe­ten we­ren. Hier zijn niet veel kicks meer te ha­len.

Hoe­wel de Chrys­ler Ne­w­port met zijn 5,9-li­ter V8 vlot op snel­heid komt, is de­ze weg niet zijn do­mein. Bij de eer­ste de bes­te af­slag ver­la­ten we de High­way en bui­gen links­af de One-O-Ni­ne op. Een paar hon­derd me­ter ver­der kruist de­ze weg met de ou­de Man­ches­ter Road, waar we rechts­af op rij­den. In­eens ver­an­dert het plaat­je weer, zo­als dat ook bij Fritz’s Fro­zen Custard ge­beur­de. Het as­falt wordt een stuk smal­ler, de be­groei­ing staat veel dich­ter bij de weg en er is nau­we­lijks ver­keer. Tus­sen de strui­ken door zien we ou­de boer­de­rij­en die we ken­nen uit Ame­ri­kaan­se films: klei­ne hou­ten hui­zen mid­den op een groot ga­zon, met een ge­zel­li­ge ve­ran­da voor de deur en een rood ge­schil­der­de schuur ach­ter op het erf. We fan­ta­se­ren over ou­de ver­ge­ten au­to's, die al de­cen­nia lang in de­ze schu­ren stof staan te ver­ga­ren. Zou de boer een lief­de ge­had heb­ben voor mus­cle cars of hield hij het lie­ver bij pick-uptrucks? We rij­den langs Big Chief Road House en be­slui­ten met­een om te draai­en. Het restaurant lijkt zó uit een boek over de his­to­ri­sche Rou­te 66 te ko­men, met een in­te­ri­eur en een me­nu­kaart in de stijl van de ja­ren vijf­tig. Er is dus nog wel de­ge­lijk iets te­rug te vin­den van Mo­ther Road, ook al heb­ben al­le dri­ve-in­res­tau­rants, tank­sta­ti­ons en li­quor sto­res van wel­eer al lang ge­le­den hun ne­on­ver­lich­ting ge­doofd en hun deu­ren ge­slo­ten. Wij rij­den slechts een frag­ment van Rou­te 66, maar tus­sen Chi­ca­go en San­ta Mo­ni­ca zijn nog ve­le res­tan­ten te­rug te vin­den. Ge­rust­ge­steld be­slui­ten we er in de toe­komst nog eens een be­de­vaart van te ma­ken.

Oce­aan­sto­mer

Dat de Chrys­ler Ne­w­port in 1961 niet veel ko­pers trok, doet er van­daag de dag to­taal niet meer toe. De au­to van Roel Har­ry­van trekt be­lang­stel­ling ge­noeg en we zien over­al op straat blik­ken en dui­men van waar­de­ring. De staart­vin­nen zijn be­pa­lend voor de uit­stra­ling van de au­to;

ze rich­ten zich al van­af de por­tie­ren op en wor­den ter hoog­te van de ach­ter­bum­per scherp af­ge­sne­den. Het kof­fer­dek­sel tus­sen de vin­nen loopt vloei­end af en heeft in de leng­te­rich­ting een pro­fi­le­ring die doet den­ken aan het ach­ter­dek van een klas­sie­ke speed­boot. Van­zelf­spre­kend glimt het chroom je te­ge­moet, de vol­le bum­pers en de slan­ke sier­lijs­ten op de flan­ken bui­gen zich gra­ci­eus langs de vou­wen in het plaat­werk. Van de dub­be­le, schuin boven el­kaar ge­plaatste kop­lam­pen aan weers­zij­den van de tra­pe­zi­um­vor­mi­ge gril­le moet je een lief­heb­ber zijn, maar ze ge­ven de Ne­w­port een her­ken­baar ge­zicht.

Ook het in­te­ri­eur is een oa­se van prach­ti­ge de­tails. Het in­stru­men­ta­ri­um, die luis­tert naar de fu­tu­ris­ti­sche be­na­ming AstraDo­me, doet den­ken aan het kom­pas van een oce­aan­sto­mer. In de stolp be­we­gen de naal­den in het lucht­le­di­ge over de schaal­ver­de­ling van de di­ver­se in­stru­men­ten, wat een prach­tig drie­di­men­si­o­naal ef­fect geeft. I got me a Chrys­ler, it seats about twen­ty, valt te be­luis­te­ren in de aan­ste­ke­lij­ke hit Lo­ve Shack van de B52’s. Dat is wat over­dre­ven, maar plaats voor zes niet al te ge­zet­te in­zit­ten­den heeft de Ne­w­port Con­ver­ti­ble wel de­ge­lijk. De be­stuur­der wordt iets meer com­fort ge­gund dan zijn pas­sa­giers, door het ver­hoog­de deel in de rug­leu­ning. Via een om­weg van een klei­ne drie kwar­tier over het plat­te­land van Mis­sou­ri, ein­di­gen we on­ze rit bij de Mon­tel­le Wi­ne­ry in Au­gusta. Een prach­ti­ge rou­te, waar­op we de Chrys­ler Ne­w­port wat be­ter le­ren ken­nen. Ame­ri­kaan­se au­to’s van wel­eer ston­den nooit be­kend om hun ver­fij­ning; op de be­stu­ring, het on­der­stel, de be­ves­ti­ging van de car­ros­se­rie op het chas­sis, de aan­drijf­lijn, de rem­men en ga zo maar door werd stan­daard veel spe­ling mee­ge­le­verd. En hun aver­sie te­gen al­les wat op een bocht leek, is al­om be­kend. Dat maakt een rit­je met een Ame­ri­kaan­se klas­sie­ker door­gaans tot een in­ten­sie­ve be­zig­heid. We wil­len niet be­we­ren dat de Chrys­ler Ne­w­port van al de­ze Ame­ri­kaan­se ka­rak­ter­trek­jes geen last heeft, maar me­de dank­zij de uit­ste­ken­de tech­ni­sche con­di­tie waar­in Roels au­to ver­keert, ver­an­dert de au­to ver­ras­send ge­mak­ke­lijk van rich­ting. Waar­bij het ab­so­luut geen nood­zaak is om de snel­heid tot een ab­so­luut mi­ni­mum te­rug te drin­gen.

Ge­pluk­te kip­pen

Hoe­wel de Ne­w­port van­af 1961 aan de ba­sis stond van Chrys­lers mo­del­len­aan­bod, kwam de ko­per er op mo­to­risch ge­bied ab­so­luut niet be­kaaid van­af. On­der de mo­tor­kap ligt een V8-mo­tor die luis­tert naar de tot de ver­beel­ding spre­ken­de naam Gol­den Li­on. De mo­tor werd sinds 1958 ge­bruikt en heeft als tech­ni­sche bij­zon­der­heid zijn wig­vor­mi­ge ver­bran­dings­ruim­ten. Als voor­beeld voor de Gol­den Li­on dien­de de HEMI-V8, maar de ci­lin­der­kop­pen met hun half­bol­vor­mi­ge ver­bran­dings­ka­mers van de HEMI-mo­tor wa­ren voor groot­scha­li­ge pro­duc­tie veel te kost­baar.

De Gol­den Li­on V8-mo­tor stond in Ame­ri­ka te boek als een heu­se big block. Ove­ri­gens heeft die term niets te ma­ken met de ci­lin­der­in­houd, maar draait het om het for­maat van het blok; in de prak­tijk zou een small block een gro­ter vo­lu­me kun­nen heb­ben dan een big block. Maar met een in­houd van 5,9 li­ter is de Gol­den Li­on-V8 al­les be­hal­ve een klein­tje. Ade­mend door een een­vou­di­ge twee­poorts Strom­berg-car­bu­ra­teur schopt de mo­tor het tot een ver­mo­gen van 265 pk. Maar van z’n ver­mo­gen moet de Ne­w­port het niet heb­ben. Hij de­mon­streert veel lie­ver zijn sou­ples­se, wat hem met een maxi­mum kop­pel van 515 New­ton­me­ter (bij slechts 2400 tpm) uit­ste­kend af­gaat. Roels au­to is voor­zien van de des­tijds op­ti­o­ne­le drie­traps Tor­queF­li­te-au­to­maat, die met ver­chroom­de druk­knop­pen links naast de AstraDo­me te be­die­nen is. De trans­mis­sie wis­selt zon­der sto­ren­de schok­ken van ver­snel­ling en re­a­geert sto­ï­cijns op een neer­waart­se be­we­ging van het gas­pe­daal. De be­stuur­der redt zich maar met het kop­pel dat voor­han­den is, er be­staat zel­den de nood­zaak om naar een la­ge­re ver­snel­ling te­rug te scha­ken. En zo is het maar net, met 515 New­ton­me­ter on­der je gro­te teen. Ter­wijl we ge­nie­ten van het glooi­en­de heu­vel­land­schap dat zich voor de bre­de neus van de Ne­w­port uit­spreidt, zet­ten we de au­to in historisch per­spec­tief. Het is be­grij­pe­lijk dat de Ame­ri­kaan­se au­to­k­o­per in 1961 niet meer zat te wach­ten om een ont­werp dat nog met een been in de ja­ren vijf­tig stond. Maar wat we niet be­grij­pen, is dat Chrys­ler des­tijds zo voor­zich­tig was met de pro­mo­tie van zijn nieu­we mo­del­len. Hun zelf­dra­gen­de car­ros­se­rie had ve­le voor­de­len, maar die in­for­ma­tie be­reik­te nooit het gro­te ko­pers­pu­bliek. De Ne­w­port en zijn jaar­ge­no­ten Winds­or en New Yor­ker kre­gen nooit de waar­de­ring die ze ver­dien­den. En dat al­le­maal om­dat Vir­gil Ex­ner de mo­del­len van de con­cur­ren­tie maar vond lij­ken op ge­pluk­te kip­pen …

Chrys­ler Ne­w­port Con­ver­ti­ble

Hoofd­ont­wer­per Vir­gil Ex­ner ge­loof­de nog steeds hei­lig in het nut van de staart­vin­nen.

Newspapers in Dutch

Newspapers from Netherlands

© PressReader. All rights reserved.