Po­ë­zie is lang niet dood!

Goed nieuws voor de 35e Nacht van de Po­ë­zie: de po­ë­zie is niet dood! Li­te­ra­tuur­we­ten­schap­per Ki­la van der Star­re, ver­bon­den aan de Uni­ver­si­teit Utrecht, kon na on­der­zoek on­der 1003 res­pon­den­ten, con­clu­de­ren dat haast al­le vol­was­se­nen met ge­dich­ten in aanr

De Telegraaf - - Nieuws Van De Dag - Ma­rie-Thé­rè­se Roo­sen­daal

Staat het dich­ters­plank­je in de boek­win­kel er ver­weesd bij, het werk wordt niet ver­smaad, weet Ki­la van der Star­re. „De ver­koop van bun­dels is ma­ger, daar­om wordt ge­dacht dat de po­ë­zie dood is. Maar 97 pro­cent van al­le vol­was­se­nen komt er wel mee in aan­ra­king. Ten eer­ste op brui­lof­ten, ge­boor­te­kaart­jes en uit­vaar­ten, wan­neer men­sen op zoek gaan naar woor­den voor hun ge­voe­lens. Ten twee­de op te­le­vi­sie, zo­als DWDD-huis­dich­ter Ni­co Dijks­hoorn, en ten der­de in de bui­ten­ruim­te, ge­dich­ten op mu­ren, ge­vels en straat. Veel men­sen waar­de­ren die dicht­ui­tin­gen met een 7 of ho­ger. De helft gaf aan kort na zo’n toe­val­li­ge ont­moe­ting meer ge­dich­ten te wil­len le­zen.”

En dich­ters le­zen an­de­re dich­ters. Op zijn 18e be­steed­de dich­ter F. Sta­rik zijn he­le maand­geld – 35 gul­den – aan een dicht­bun­del. „Fer­nan­do Pes­soa, in de ver­ta­ling van Au­gust Wil­lem­sen, het was een rib uit mijn lijf. Maar nog steeds zijn het fas­ci­ne­ren­de re­gels, een rij­ke bron om uit te put­ten. Ook Ril­ke heeft me ten diep­ste be­roerd, zijn werk geeft me een ver­wij­zing hoe te le­ven. Po­ë­zie zie ik niet als ge­voe­lens, maar als er­va­rin­gen.”

„Bij de on­uit­ge­spro­ken gro­te mo­men­ten van het le­ven grij­pen we naar ge­dich­ten. Nel Ben­schop staat bo­ven de rouw­ad­ver­ten­tie, Rust nu maar uit, je hebt je strijd ge­stre­den, Toon Her­mans’ ’Vriend’ wordt aan­ge­haald. De woor­den van Li­ba­nees Kah­lil Gi­bran staan vaak op ge­boor­te­kaart­jes: Je kin­de­ren zijn je kin­de­ren niet, zij zijn de zo­nen en doch­ters van ’s le­vens hun­ke­ring naar zich­zelf.”

Sta­rik is een van de dich­ters uit de pool van Stich­ting De Een­za­me Uit­vaart. Over­le­de­nen zon­der fa­mi­lie en vrien­den, die vaak pas na we­ken dood wor­den aan­ge­trof­fen in huis, krij­gen een ge­meen­te­be­gra­fe­nis. Sta­rik en zijn me­de­dich­ters vin­den dat ie­der­een het ver­dient om met spe­ci­aal voor hem ge­ko­zen woor­den be­gra­ven te wor­den.

Dich­ters en dood, het is vol­gens hem een on­los­ma­ke­lij­ke een­heid. „Maar ge­dich­ten kun­nen ook vro­lijk zijn. Mijn eer­ste bun­del op het plank­je bo­ven mijn bed was van An­nie M.G. Sch­midt. Op de mid­del­ba­re school la­zen we Cees Bud­dingh’. De zon komt op, de zon gaat on­der. Lang­zaam telt de ou­de boer zijn klo­ten. Een pas­ti­che, wij moesten er on­waar­schijn­lijk hard om la­chen.

Net als dat ge­dicht van Bud­dingh’ over dat dek­sel­tje van de Mar­mi­te dat ook pre­cies op het pot­je Heinz sand­wich spread pas­te, en an­ders­om even­eens. Dat vond zelfs mijn hu­mor­lo­ze va­der leuk. We heb­ben het na­tuur­lijk uit­ge­pro­beerd aan de ont­bijt­ta­fel, en ja hoor. Maar om dat uit­wis­sel­ba­re dek­sel­tje gaat het na­tuur­lijk niet. Het gaat om de ver­won­de­ring over het al­le­daag­se, dat zet luik­jes open in je hoofd.”

Een hoofd vol ge­dich­ten, on­mo­ge­lijk om daar de mooi­ste re­gel uit te pik­ken. „Bloem wordt te­gen­woor­dig in het we­reld­je wel af­ge­schil­derd als een sen­ti­men­te­le ou­we zeur, maar daar ben ik het niet mee eens. Zijn bes­te re­gel is ’Wat geeft het’.”

Sta­rik ci­teert J.C. Bloem voor de vuist weg:

Ik heb van ’t le­ven vrij­wel niets ver­wacht,

’t Geluk is nu een­maal niet te ach­ter­ha­len.

Wat geeft het? – In de kou­de voor­jaars­nacht

Zin­gen de on­ster­fe­lij­ke nach­te­ga­len.

„Ik ken he­le ge­dich­ten of stuk­ken er­van uit het hoofd. Mid­den in de nacht mom­pel ik ze dan voor me uit.” Aha pu­re ro­man­tiek! „Ha­ha, mijn vrien­din slaapt over­al door­heen, hoor. Als men­sen een ge­dicht van mij kun­nen voor­dra­gen, uit het hoofd en in tra­nen, voel ik me wel heel dicht bij de on­ster­fe­lijk­heid.” Om daar­aan toe te voe­gen: „Al heb ik daar niks aan.”

’Dat vond zelfs mijn hu­mor­lo­ze va­der leuk’

FO­TO MATTY VAN WIJNBERGEN

F. Sta­rik: „Mijn eer­ste bun­del was van An­nie M.G. Sch­midt.”

Newspapers in Dutch

Newspapers from Netherlands

© PressReader. All rights reserved.