PROP­PEN OP HET SPOOR

HET RE­GENT AL TIJ­DEN KLACH­TEN OVER OVER­VOL­LE TREI­NEN EN DE­ZE WEEK WERD BE­KEND DAT DO OR­DE KOMST van de nieu­we tien mi­nu­ten in­ter­ci­ty’s de per­ron sop de schop gaan. Daar­door wordt het voor­lo­pig al­leen maar druk­ker op het spoor. Een dag­je trei­nen op de groo

De Telegraaf - - Front page - door Ma­rie-Thé­rè­se Roo­sen­daal

17.01 uur

Cen­traal Sta­ti­on Am­ster­dam. Op de trap naar per­ron 4b is het over de vol­le breed­te een­rich­tings­ver­keer. Een storm­baan die met twee tre­den te­ge­lijk wordt ge­no­men. Op­zij, op­zij, op­zij! De en­ke­ling die pro­beert te­gen de stroom in be­ne­den te ko­men, klampt zich ang­stig vast aan de leu­ning.

17.02 uur

De in­ter­ci­ty naar Maas­tricht staat al voor het per­ron. En zit vol. Dan maar op het bal­kon, zo­als de tus­sen­ruim­te van de trein heet. Het laat­ste klap­stoel­tje, dat is bof­fen. Nieuw­ko­mers pos­te­ren zich op het trap­pe­tje van de dub­bel­dek­ker, hand­gre­pen zijn be­zet, pas­sa­giers leu­nen te­gen de glad­de wand of staan in het lucht­le­di­ge. Het kan net, er is nog net ge­noeg ruim­te om een mens niet hele­maal een on­ge­mak­ke­lijk ge­voel te be­zor­gen. He­laas, daar sprin­gen er nog drie naar bin­nen. Lijf aan lijf, rug­zak aan rug­zak, mou­wen van donsjack­jes rit­se­len te­gen el­kaar.

17.05 uur

Het is de of­fi­ci­ë­le ver­trek­tijd. En de stipt­heid van rit­num­mer 863 is 100%, be­looft de reis­plan­ner op de NS-si­te. Ver­der wordt daar ge­meld dat er vier trein­de­len zijn, 405 zit­plaat­sen en 19 klap­stoe­len. In rood staat er een kant­te­ke­nin­ge­tje bij: ’Er rijdt een kor­te­re trein dan ge­pland. Hier­door kan het druk­ker zijn.’ Aha, nor­maal zijn er 1002 zit­plaat­sen. Van­daar dat we hier als ha­rin­gen in een ton­ne­tje zit­ten.

17.08 uur

Pom­pom­pom… Uh, stipt, NS? ’Da­mes en he­ren’, galmt een stem ou­der­wets gen­der­par­tij­dig door de in­ter­com. ’We heb­ben een sto­ring. Zo­dra de sto­ring ver­hol­pen is, kun­nen we gaan rij­den.’ „Wé, wat nou wé?”, snibt een meis­je ge­ïr­ri­teerd te­gen haar reis­ge­no­te. „Ík ben niet ge­stoord.”

17.10 uur

Het fluit­sig­naal snerpt, de deu­ren slui­ten. Een jon­gen laat zich zak­ken op de beu­gel van de deur en scheurt het zak­je van een Twix open. Een an­der krui­melt met een ge­vul­de koek. Daar gaan we. In een zwen­king van het spoor priemt een lan­ge da­me het hoek­je van haar plas­tic sa­la­de­bak­je in mijn voor­hoofd. Ze glim­lacht ver­ont­schul­di­gend. De staan­de rei­zi­gers zon­der hou­vast wie­be­len van links naar rechts en te­rug.

17.19 uur

Aan­komst Sta­ti­on Am­stel, de deu­ren zoe­ven open. Fris­se lucht golft bin­nen, maar niet lang. Drom­men pas­sa­giers wur­men zich de trein in. Op af­ge­me­ten toon zegt een man te­gen een an­der: „Kunt u iets op­schui­ven?’ Die perst zich nog ver­der in zijn hoek­je. Zo vol als een pot­je met pie­ren, en dan ar­ri­veert er ook nog een rei­zi­ger met een vouw­fiets. Een trap­per pookt in een scheen­been. In­dik­ken. Met een sto­ï­cijns ge­zicht ne­geert de fiets­be­zit­ter de do­de­lij­ke blik­ken. De trein zet zich in be­we­ging. „Ik kán niet eens val­len”, gie­chelt een vrouw te­gen haar man. „En an­ders val ik aan al­le kan­ten zacht.” Haar zach­te g ver­raadt dat ze het eind­punt als be­stem­ming heeft. Veel zuur­stof zit er niet meer in de dik­ke, zwa­re lucht. Rei­zi­gers tu­ren zwij­gend op te­le­foon­scherm- pjes, ge­zich­ten lich­ten lijk­blauw op. Wit­te oor­dop­jes in. Af­ge­slo­ten van de rest, in hun ei­gen we­reld­je, tik­ken ze met snel­le dui­men. Zou ie­der­een op dit­zelf­de mo­ment een klacht de­po­ne­ren op vol­le­trei­nen.nl, van rei­zers­ver­e­ni­ging Rover?

17.22 uur

Het is het acht­ste we­reld­won­der: in­eens splij­ten de pas­sa­giers

’Vol als een pot­je pie­ren, en dan komt er ook nog een­tje met een vouw­fiets’

uit­een en ma­ken een bre­de door­gang. De re­den waar­om is eer­der te rui­ken dan te zien. Om Baard­mans, zo­als we hem maar do­pen, hangt een adem-af­snij­den­de walm van al­co­hol, ge­lar­deerd met die van on­ge­was­sen mens. Láng on­ge­was­sen mens. Ver­from­meld hal­ve­li­ter­blik huis­merk­pils in de hand. Leeg tot de laat­ste drup­pel, al brengt hij het nog eens hoop­vol aan zijn grijs be­baar­de mond. Met dub­be­le tong vraagt hij aan de twee man­nen die voor de wcdeur staan: „Mm­mag eeeev passs­se­ren?” Na twee mi­nu­ten klinkt de pomp van de wc. En daar schuift de deur weer open. Olijk: „Got­ver­r­rr. Noem­me ze modern, heel broek iz­z­nat.” Ieks! Drie rei­zi­gers draai­en zo goed en kwaad als het gaat hem os­ten­ta­tief de rug toe. Baard­mans blijft staan, zich al­ler­minst be­wust van de col­lec­tie­ve vij­an­dig­heid en al die neu­zen die diep weg­dui­ken in de win­tersjaals. Hij is de eni­ge met een vro­lijk hu­meur. Maakt ver­ge­noeg­de, snor­ken­de ge­luid­jes, ba­zelt war­rig over de Rus­sen en Pink Floyd. Te­gen nie­mand in het bij­zon­der zegt een vrouw. „Knét­ter word ik van die trei­nen. Dit kan toch niet, ik wil er­uit.”

17.37 uur

God­zij­dank, Utrecht Cen­traal Sta­ti­on. Fris­se lucht. Op per­ron 18 staat een rei­zi­gers­mas­sa als ont­vangst­co­mi­té. Wij er­uit, zij er­in. „O nee, het is een heel kor­te trein”, jam­mert een rou­ti­nier. Ze propt zich in het geel-blau­we ge­vaar­te. Met meer maz­zel dan ze be­seft, want Baard­mans is de trein ook uit­ge­stapt.

Om­roep­ster

Te­rug naar die och­tend in al­le vroeg­te. De reis­dag be­gint op het sta­ti­on in de hoofd­stad. Een Chi­ne­se man tin­gelt won­der­mooi op de ’be­speel mij’-vleu­gel in de hal. Maar de galm van een om­roep­ster ver­stoort die idyl­le met­een. ’Tus­sen Wor­mer­veer en Uit­geest is een sein­sto­ring, tot 8.30 uur.’ En ook de sprin­ter van 6.19 uur naar Rot­ter­dam rijdt niet. Utrecht dan maar. Iets na ze­ve­nen zijn er zit­plaat­sen te over in de Sprin­ter. Tes­sa van Vel­zen stapt bij Ab­cou­de in en klapt haar lap­top­je open. „Tot voor kort woon­de ik in Am­ster­dam en pak­te ik el­ke dag de In­ter­ci­ty. El­le­boog aan el­le­boog sta je daar­in. De Sprin­ter is veel com­for­ta­be­ler. En ik kan on­der­tus­sen wer­ken, dus win ik ei­gen­lijk tijd.”

De In­ter­ci­ty van Utrecht naar Den Haag is om 8 uur af­ge­la­den. Een en­ke­ling leest de krant, ie­mand on­der­streept re­gels op een Avier­tje, een vrouw poe­der­donst haar neus voor een klein spie­gel­tje.

Ie­der­een zwijgt, ook al is dit geen stilte­cou­pé. El­ke stoel be­zet, het hal­le­tje ook. Dan maar bij de deur han­gen. De kof­fie van de buur­man klotst over het kar­ton­nen be­ker­tje. Con­dens ont­neemt het zicht op het Groe­ne Hart, maar daar ver­dwij­nen de scha­pen toch in de hei­i­ge wei.

De rest van de dag is er ge­noeg plaats in de trei­nen. Lei­den, Am­ster­dam, Amers­foort, Alk­maar.

Se­ni­o­ren die een dag­je uit doen en des­on­danks pa­nie­ke­rig op­ve­ren als de sta­ti­ons wor­den op­ge­le­zen. „Gaat-ie nou wel of niet naar Sas­sen­heim? Hoor­de jij dat?”

In de trein naar Amers­foort grist een vrouw een tijd­schrift van een ta­fel­tje en bla­dert er­door­heen. On­der­koeld blikt de man te­gen­over haar over zijn lees­bril­le­tje heen. „Bij Amers­foort wil ik hem wel te­rug.” Ze kleurt, zegt: „Ik wist niet dat-ie van u was. En een mens moet toch wat te­gen de ver­ve­ling.” Het blad Mac­fan boeit haar niet lan­ger dan tien se­con­den.

’Al­le­daag­se dag’, staat op een tus­sen­ruit. Spoor­poe­zie. Een vrouw deelt brief­jes uit. ’Sor­ry dat ik u stoor, bij de­ze bied ik u een pak­je zak­doek­jes aan in ruil voor een klein geld­be­drag naar keu­ze. Dit doe ik om­dat ik op het mo­ment geen baan heb en twee kin­de­ren. Ik hoop dat u be­grip heeft voor mijn si­tu­a­tie, al­vast be­dankt’. Dank­baar is ze voor die twee eu­ro. Die zak­doek­jes mag ze hou­den, die heeft ze vast zelf veel har­der no­dig. Slecht be­sluit, zo blijkt la­ter.

Om 17.39 uur, om pre­cies te zijn. Als op Utrecht CS de nog even goed­ge­luim­de Baard­mans in ’mijn’ over­vol­le trein rich­ting Lei­den stapt. Hoe­wel te be­twij­fe­len valt of een heel pak zak­doek­jes in de neus­ga­ten vol­doen­de zou zijn te­gen die lucht.

Zelfs al­le hand­gre­pen van de dub­bel­dek­ker zijn be­zet... ’Lijf aan lijf, rug­zak aan rug­zak... He­laas daar sprin­gen er nog drie in’

FOTO NO­VUM

Rei­zi­gers ver­druk­ken el­kaar zo­wat in een bom­vol­le, in dit ge­val, Ar­ri­va-trein op de Mer­we­de-Lin­ge­lijn bij Dord­recht. In de ge­mid­del­de In­ter­ci­ty, ook de dub­bel­dek­kers, van de NS is het beeld voor­al tij­dens de spits niet veel an­ders.

FOTO RI­CHARD MOUW

Op het Cen­traal Sta­ti­on in Am­ster­dam is het ’s och­tends vroeg een mie­ren­hoop, en ie­der­een heeft haast.

FOTO RIAS IMMINK

Tes­sa van Vel­zen neemt de Sprin­ter van Am­ster­dam naar Utrecht. Duurt wat lan­ger, maar dan kan ze wel lap­top­pen.

Newspapers in Dutch

Newspapers from Netherlands

© PressReader. All rights reserved.