Ge­lo­ven maakt an­ders

Katholiek Nieuwsblad - - KNFILM -

DE ZIEL

wordt in het woor­den­boek om­schre­ven als: gees­te­lijk be­gin­sel. Ver­der we­ten de mees­ten er niet veel over te ver­tel­len, als­of het over iets exo­tisch gaat. De Bij­bel kent voor­al aan­dui­din­gen als hart en geest. Wijs­ge­ren zeg­gen dat Griek­se in­vloed de term ‘ziel’ in het chris­te­lijk spraak­ge­bruik heeft bin­nen ge­bracht. De uit­druk­king “Laat ons bid­den voor de zie­len­rust van on­ze ou­ders” be­gint in on­ze stre­ken tot het on­ge­wo­ne taal­ge­bruik te be­ho­ren. Ze­ker sinds Dick Swaab het boek schreef Wij zijn ons brein. Toch heeft het woord ziel ou­de pa­pie­ren in het den­ken over de re­la­tie God – mens, in de chris­te­lij­ke ge­loofs­leer aan­gaan­de ons men­se­lijk be­staan over de grens van de dood heen. Daar­om een klei­ne ver­ken­ning. “De ziel is de grens tus­sen God en mens” (Re­née van Ries­sen, De ziel op­nieuw, 2013). Mar­tin St­ef­fens, een jon­ge fi­lo­soof uit het Fran­se Metz, schrijft sub­tiel: “De ziel is dat­ge­ne in mij dat weet of voelt: het le­ven is meer dan mijn le­ven.” Land­ge­noot Ga­briel Mar­cel (+1973), be­keer­ling zo­als hij, no­teert: “De ziel leeft slechts door de hoop. Mis­schien is de hoop wel de stof waar­uit de ziel is ge­vormd. Wan­ho­pen aan ie­mand is ei­gen­lijk niets an­ders dan zijn ziel ont­ken­nen.” Het be­hoort tot de kern van ons chris­te­lijk ge­loof te be­sef­fen dat wij als mens in een per­soon­lijk re­la­tie staan met God, dat wij door Hem er­kend en be­mind wor­den. Die er­va­ring van in­ner­lijk­heid, maar ook van ver­bon­den­heid en van uni­ci­teit kun­nen wij om­schrij­ven als ‘on­ze ziel’. De Ca­te­chis­mus van de Ka­tho­lie­ke Kerk schrijft: “De term ziel geeft aan wat het diep­ste we­zen van de mens en het meest waar­de­vol- le in hem is, waar­door hij in het bij­zon­der beeld is van God” (363). Het blijkt te gaan om een in­ner­lij­ke en niet in­wis­sel­ba­re ei­gen­heid, die de mens als per­soon met God ver­bindt. In zijn be­ken­de boek De Heer zegt Ro­ma­no Gu­ar­di­ni (+1968): “De ziel leeft uit God, daar­door leeft de ge­he­le mens”, na­dat hij eer­der heeft ge­con­sta­teerd: “Nie­mand dan Je­zus heeft toe­gang tot het ei­gen­lij­ke van het le­ven.” Ge­schie­de­nis van een ziel heet de ver­maar­de au­to­bi­o­gra­fie van The­re­sia van Li­sieux (+1897). Van­uit de tra­di­tie is het goed de term ziel ook van­daag te cul­ti­ve­ren, als aan­dui­ding van de ei­gen­heid van de mens in zijn ge­lo­vi­ge – vaak stil­le – re­la­tie met God. Het gaat om de hoog­heid van God en om de waar­dig­heid van de mens. On­ze diep­ste per­soon wordt daar­door be­ves­tigd, tot over de grens van de dood heen. Dat is hoop­vol. Wie ge­looft in de ziel kan daar­om lo­gi­scher­wij­ze bij­voor­beeld niet kie­zen voor eu­tha­na­sie. Het gaat im­mers om on­ze god­de­lij­ke per­soons­kern, ook al hou­den wij nog zo veel vra­gen over het hier­na­maals, over hoe en wat rond he­mel en hel.el. Daar-Daar­om is het ook geens­zinsins ver-ver­won­der­lijk dat de Schrift zegt: “De hoop is het vei­li­ge an­ker van de ziel” ( He­br. 6,19). Het gaat om eenn kost-kost­baar woord dat het ge­loofs-ge­loof­smys­te­rie hand­haaft enen dat ons te­gen ver­vlak­king be­schut.

Mgr. Jo­r­is Schrö­der r

Newspapers in Dutch

Newspapers from Netherlands

© PressReader. All rights reserved.