IN­TER­VIEW WITH A VAMPIRE

MET EEN NOTITIEBLOK IN DE HAND STAP­TE DOK­TER BERG DE SCHAARS VER­LICH­TE KA­MER IN. HIJ HAD DE UITZONDERLIJKE MO­GE­LIJK­HEID OM TE PRA­TEN MET EEN MON­STER — DE VAMPIER VAN DÜSSELDORF.

Real Crime (Netherlands) - - INHOUD - TEKST BEN BIGGS

Toen Pe­ter Kur­ten werd ge­ar­res­teerd, gaf hij twee maan­den lang in­ter­views. Zijn niets­ver­hul­len­de, gru­we­lij­ke ver­ha­len zijn fas­ci­ne­rend.

Psy­chi­a­ter Karl Berg zat aan ta­fel te­gen­over Pe­ter Kür­ten en be­gon aan­te­ke­nin­gen te ma­ken om zijn per­soon­lijk­heid te kun­nen ana­ly­se­ren. Het ver­ras­te hem hoe open en ge­de­tail­leerd de moor­de­naar sprak, zelfs in de­ze fa­se waar­in hij op zijn exe­cu­tie zat te wach­ten. Niets van wat hij zei klonk als een be­ken­te­nis. Hij ver­toon­de geen en­kel be­rouw. De­ze slan­ke, goed ver­zorg­de man met zijn in­tel­li­gen­te, blau­we ogen was ont­span­nen en leek be­reid om mee te wer­ken aan wel­ke on­der­vra­ging dan ook. Het leek als­of hij zijn le­vens­ver­haal ver­tel­de: “Ik stak bij­voor­beeld scha­pen”, zei de se­rie­moor­de­naar, toen hij sprak over zijn be­roer­de jeugd in Gra­fen­ber­ger, West-duits­land. “Dat gaf me een fijn ge­voel, maar zon­der dat ik klaar­kwam. Zo be­gon het al­le­maal ... In die pe­ri­o­de heb ik ook de kop van een hond af­ge­sne­den. Er was iets pret­tigs aan. Mis­schien kunt u zich dat voor­stel­len, pro­fes­sor, u zou het zelfs eens moe­ten pro­be­ren — hoe het bloed ge­ruis­loos stroomt ... het zien van bloed gaf me een fijn ge­voel.”

Bloed­dorst

Berg gaf Kür­ten de mo­ge­lijk­heid om zijn ver­haal in de­ze geest voort te zet­ten. Hij ver­tel­de hoe hij de nek van een eek­hoorn had dicht­ge­kne­pen en over het ple­zier waar­mee hij keek naar var­kens die wer­den ge­slacht. In zijn vroe­ge tie­ner­ja­ren be­trap­te een school­vriend hem toen hij een stal in sloop en een var­ken stak, al­leen maar om­dat hij het wil­de zien bloe­den en ho­ren gil­len. In de­ze be­gin­ja­ren ex­pe­ri­men­teer­de Kür­ten voor­al. Hij vond het heel ge­woon om te pro­be­ren ge­slachts­ge­meen­schap te heb­ben met boer­de­rij­die­ren, lou­ter om­dat een meis­je van zijn leef­tijd zich had ver­zet te­gen wat waar­schijn­lijk een open­lij­ke en lief­de­lo­ze po­ging was ge­weest om zijn sek­su­e­le nieuws­gie­rig­heid te be­vre­di­gen. Het be­slis­sen­de mo­ment vol­trok zich ech­ter toen hij der­tien was, kort voor­dat hij het ou­der­lijk huis uit vlucht­te: hij com­bi­neer­de zijn twee de­mo­ni­sche aan­drif­ten door een schaap in de rug te ste­ken ter­wijl hij er seks mee had. “Toen kwam ik klaar. Dat heb ik twee of drie jaar lang re­gel­ma­tig ge­daan.”

Kür­ten wil­de aan­van­ke­lijk niet toe­ge­ven dat hij sek­su­e­le mo­tie­ven had voor het ste­ken, neer­knup­pe­len en wur­gen van tien­tal­len vrou­wen en kin­de­ren (plus een paar man­nen). Tot dat mo­ment was zijn ver­haal dat

IK VRAAG ME AF WAT HET WAS, DIE DRANG OM EROPUIT TE GAAN, DIE DEMON DIE ME EL­KE AVOND WEER NAAR BUI­TEN TROK.

hij boos was op de sa­men­le­ving. Hij was in 1883 ge­bo­ren in een straat­arm ge­zin in Mül­heim am Rhein in West­duits­land, als oud­ste van der­tien kin­de­ren. Zijn ou­ders wa­ren al­co­ho­lis­ten. Zijn va­der sloeg zijn vrouw en kin­de­ren, en dwong de kin­de­ren zelfs om toe te kij­ken wan­neer hij seks had met hun moe­der.

Kür­ten ver­tel­de de po­li­tie dat hij wraak wil­de ne­men en ‘af­grij­zen’ te­weeg wil­de bren­gen. Zijn ach­ter­grond ken­nen­de, kon de arts zich goed voor­stel­len dat de ver­loe­de­ring van de jon­ge Kür­ten hem uit­ein­de­lijk maak­te tot het bloed­dor­sti­ge mon­ster dat Düsseldorf ter­ro­ri­seer­de. Maar Berg ge­loof­de niet dat wraak zijn be­lang­rijk­ste drijf­veer was — als het über­haupt een drijf­veer was. Hij won eerst Kür­tens ver­trou­wen door hem op het hart te druk­ken dat hun ge­sprek­ken ver­trou­we­lijk wa­ren door zijn be­roeps­ge­heim. Daar­na kreeg hij met zorg­vul­dig ge­ko­zen op­mer­kin­gen de waar­heid bo­ven ta­fel. Toen Kür­ten zich een­maal open­stel­de, kreeg de arts een stort­vloed over zich heen. “Al­les wat ik zei over mijn op­win­ding en in­ner­lij­ke span­ning had ik ge­haald uit boe­ken van Lom­bro­so [Cesa­re Lom­bro­so, een cri­mi­no­loog uit de ne­gen­tien­de eeuw]. Ik leg­de een ver­kla­ring af over mijn mo­tie­ven, maar die ver­kla­ring was het re­sul­taat van de vra­gen van de aan­kla­ger,

die gro­te in­te­res­se toon­de in de psy­cho­lo­gi­sche as­pec­ten van de zaak … De sek­su­e­le drang in mij was sterk ont­wik­keld, voor­al de laat­ste ja­ren. De mis­da­den zelf maak­ten die drang nog gro­ter. Daar­om was ik al­tijd op zoek naar een nieuw slacht­of­fer … Ik zocht mijn be­vre­di­ging niet in nor­ma­le ge­slachts­ge­meen­schap, maar in do­den.”

In de ja­ren na zijn vlucht uit het el­len­di­ge ou­der­lijk huis zat Kür­ten re­gel­ma­tig in de ge­van­ge­nis voor de­lic­ten die veel klei­ner wa­ren dan de gru­we­lij­ke mis­da­den waar­voor hij la­ter ver­oor­deeld zou wor­den. Het be­gon met frau­de, de­ser­tie, brand­stich­ting en in­braak. Kür­ten gaf toe dat het in brand ste­ken van een stal hem sek­su­eel enigs­zins op­wond, maar de ech­te kick kreeg hij van het idee dat dat­ge­ne wat in die stal lag te sla­pen, ver­brand­de. Naast de tien­tal­len moor­den waar­voor hij werd ver­oor­deeld, be­ken­de hij ook tal­lo­ze an­de­re moor­den en po­gin­gen tot moord. De­ze wa­ren ech­ter niet te be­wij­zen. Kür­ten ver­tel­de Berg eerst kort hoe hij als vroe­ge twin­ti­ger on­han­di­ge po­gin­gen tot sek­su­e­le be­vre­di­ging had ge­daan door bloed te ver­gie­ten. Daar­na kwam hij op de prop­pen met het ver­haal over zijn eer­ste ech­te moord. Het was een mee­do­gen­lo­ze mis­daad in zijn ei­gen ge­boor­te­stad, waar­van de de­tails de arts schok­ten.

“In de zo­mer van 1913 pleeg­de ik veel dief­stal­len. Ik koos daar­voor pan­den waar­van de be­ga­ne grond werd ge­bruikt door be­drij­ven ... Op een zon­dag­avond drong ik een huis bin­nen. Het was de her­berg van de fa­mi­lie Klein. Ik ging naar de eer­ste eta­ge. In de ka­mer te­gen­over de trap stond een bed ... in het bed lag een meis­je van een jaar of tien te sla­pen. Ik greep haar hals en kneep die een of twee mi­nu­ten dicht. Het kind werd wak­ker en wor­stel­de om los te ko­men, ze krab­de mijn hand open en raak­te toen be­wus­te­loos en be­woog niet meer ... ik pe­ne­treer­de haar va­gi­na met een of twee vin­gers. Met een klein, scherp zak­mes maak­te ik een die­pe snee in de hals van het kind ... ik hoor­de het bloed naar bui­ten bor­re­len en op de mat drup­pe­len. Het spat­te op mijn hand. Het he­le voor­val duur­de niet lan­ger dan drie mi­nu­ten.”

De do­den her­den­ken

Het au­top­sie­rap­port van de ne­gen­ja­ri­ge Chris­ti­ne Klein be­ves­tig­de het me­ren­deel van wat Kür­ten had ge­zegd en het viel Berg op hoe ge­de­tail­leerd zijn be­schrij­ving was. In de ze­ven­tien jaar na de moord op het meis­je had hij nog ve­le an­de­ren ver­moord. Toch her­in­ner­de hij zich die ene mis­daad uit­zon­der­lijk goed. Of Kür­ten had een bij­zon­der scherp ge­heu­gen, of — en dat is waar­schijn­lij­ker — hij had nog vaak te­rug­ge­dacht aan dat mo­ment om er ach­ter­af op­nieuw van te ge­nie­ten. Nu het hek van de dam was, rol­de de ene na de an­de­re be­ken­te­nis Kür­tens mond uit. De aan­te­ke­nin­gen van Berg wa­ren kli­nisch en to the point: “Hier­na vol­gen ver­schil­len­de wurg­za­ken. Zaak 16. Ma­ria Kie­fer … Zaak 17. Ma­ria Wack … Zaak 22. An­nie Ist.” Kür­tens uit­een­zet­ting van de­ze se­rie moor­den was be­knopt, waar­schijn­lijk om­dat elk van de slacht­of­fers erin was ge­slaagd te ont­snap­pen voor­dat hij zijn hoog­te­punt be­reik­te. Ma­riah Kie­fer had Kür­ten blijk­baar bij haar thuis uit­ge­no­digd, maar kon zich aan zijn greep ont­wor­ste­len toen hij haar pro­beer­de te wur­gen. Hier­na sloeg haar

bij­na-moor­de­naar op de vlucht. Ook Ma­riah Wack en An­nie Ist gin­gen het ge­vecht aan en red­den daar­mee hun le­ven. Hoe­wel Kür­ten veel slacht­of­fers ver­moord­de, wa­ren er nog veel meer die ont­snap­ten. En dat was niet om­dat de moor­de­naar slor­dig was, in­te­gen­deel. Kür­ten was net zo nauw­ge­zet in zijn mis­da­den als hij was in zijn ui­ter­lij­ke ver­zor­ging en zijn werk in de fa­briek: “dis­creet en ef­fi­cient”, schreef Berg. Er hoef­de maar een heel klei­ne kans te zijn dat hij be­trapt zou wor­den en Kür­ten liet de he­le zaak schie­ten. Een paar slacht­of­fers over­leef­den het om­dat Kür­ten voor hun dood al was klaar­ge­ko­men. Hoe­wel de sadist ook wel ple­zier be­leef­de aan hun ster­ven, leek moord toch meer een bij­pro­duct van het la­ten bloe­den van zijn slacht­of­fers. “Ik voel­de niets ter­wijl ik haar wurg­de”, zei Kür­ten, toen hij de moord op de vijf-ja­ri­ge Ger­tru­de Al­ber­mann be­schreef. “Daar­om her­haal­de ik wat ik in Mül­heim had ge­daan en stak mijn vin­gers in de va­gi­na van het kind ... ik pro­beer­de maar wat, want mijn lid was slap ge­wor­den. Dus ik moest wel ste­ken. Toen kwam ik pas klaar. Ik kan het bloed ho­ren stro­men, zelfs als ik dwars door kle­ding heen in het hart steek.”

Rus­ten in vre­de

“Zaak 52. De zaak Hahn.” Vol­gens Berg zei de­ze zaak het mees­te over de per­soon­lijk­heid van de vampier van Düsseldorf. Op 8 au­gus­tus 1929 ont­moet­te Ma­riah Hahn een keu­rig ge­kle­de en be­leef­de man op een bank­je in het park. Ze maak­ten een af­spraak­je. De zon­dag daar­na dron­ken ze wijn en bier in het Ne­an­der­thal­ge­bied bij Düsseldorf. Hij kocht een reep cho­co­la­de voor haar en ‘s avonds di­neer­den ze sa­men. Na een wan­de­ling langs de ri­vier be­zweek Ma­riah Hahn voor de avan­ces van de­ze char­man­te man en had hij haar waar hij haar wil­de. Af­gaand op Kür­tens ver­kla­ring be­sef­te Ma­riah het wa­re mo­tief van haar min­naar pas toen het al te laat was. “Na de ge­slachts­ge­meen­schap ver­lie­ten we de ri­vier­oe­ver en lie­pen een veld in. Daar be­sloot ik haar te do­den ... Ik wurg­de haar tot­dat ze be­wus­te­loos was, maar ze kwam snel weer bij ... na een poos­je stak ik haar met een schaar in de hals. Ze ver­loor veel bloed, maar kwam weer bij be­wust­zijn. Met een zwak­ke stem bleef ze me maar vra­gen om haar le­ven te spa­ren ... het duur­de een uur voor­dat ze dood was.”

Kür­ten stal haar hor­lo­ge, rol­de haar li­chaam in een grep­pel, be­dek­te het met een paar tak­ken en ging toen naar huis. Au­gus­te Scharf, de vrouw met wie hij zes jaar eer­der was ge­trouwd, was bij zijn thuis­komst kwaad en ach­ter­doch­tig. Het was niet de eer­ste keer dat hij ver­dween en pas laat thuis­kwam. Ze maak­ten ru­zie en Kür­ten was bang dat, als het li­chaam werd ont­dekt, Au­gus­te het ver­band zou leg­gen met zijn be­bloe­de kle­ding.

De vol­gen­de dag over­trad hij het eer­ste ge­bod voor cri­mi­ne­len: hij keer­de te­rug naar de plaats van het mis­drijf. Hij be­dacht waar hij Ma­riahs li­chaam wil­de be­gra­ven en ging toen naar huis om een schop te ha­len. Dit was meer dan een po­ging om zijn spo­ren te wis­sen. Voor Kür­ten was het een plech­tig­heid met een emo­ti­o­ne­le la­ding. “Ik groef een diep gat in een braak­lig­gend stuk grond ... ik leg­de het li­chaam naast het gat. Daar­na liet ik me­zelf in het gat zak­ken en trok het li­chaam naar me toe. Op de bo­dem leg­de ik het op de rug, zo­als je doet wan­neer je ie­mand be­graaft. Er was een schoen van een voet ge­gle­den en die leg­de ik naast het li­chaam. Daar­na vul­de ik het gat. Tij­dens de­ze be­gra­fe­nis was ik de he­le tijd ver­vuld van sen­ti­men­te­le ge­voe­lens. Ik streel­de het haar en het eer­ste beet­je aar­de strooi­de ik voor­zich­tig over het li­chaam. Uit­ein­de­lijk stamp­te ik de aar­de aan en ega­li­seer­de de grond zo­dat je niets meer zag.”

In te­gen­stel­ling tot zijn slacht­of­fers had Kür­ten zelf de kans om zijn dood waar­dig te­ge­moet te zien, voor­dat een guillotine zijn hoofd van zijn romp scheid­de. Toen Ma­ria Bud­lick aan zijn klau­wen ont­snap­te en uit­ein­de­lijk de po­li­tie over haar bij­na-lot ver­tel­de, be­sef­te Kür­ten dat het net zich rond hem sloot. Hij zag geen uit­weg meer en be­sloot om zich op te la­ten pak­ken. Maar eerst bracht hij zijn za­ken op or­de en be­ken­de aan zijn vrouw dat hij de vampier van Düsseldorf was. Zij leek ech­ter be­zorg­der over het voor­uit­zicht be­rooid ach­ter te blij­ven, dan over het feit dat haar echt­ge­noot een be­ruch­te se­rie­moor­de­naar was. Maar Kür­ten had een plan: Au­gus­te moest naar het po­li­tie­bu­reau gaan om te ver­tel­len dat hij zo­juist had be­kend en dat zij nooit had ge­we­ten dat hij bij al die moor­den be­trok­ken was.

Dit be­taal­de zich let­ter­lijk uit — niet lang na zijn ver­oor­de­ling ont­ving Au­gus­te een be­lo­ning van 4000 reichs­mark (nu on­ge­veer 15.000 eu­ro). Kür­ten leek on­aan­ge­daan toen hij na zijn pro­ces tot de dood­straf werd ver­oor­deeld. Hij zei in de recht­bank: “Ik ver­foei de mis­da­den en voel me diep­be­droefd voor de fa­mi­lie­le­den.” Daar­na vroeg hij om ver­ge­ving, hoe­wel Berg in zijn boek schreef dat hij niet in staat was om be­rouw te voe­len. Hij ging ook niet in ho­ger be­roep en leek de laat­ste da­gen voor zijn dood zelfs op­val­lend op­ge­wekt. Hij leek niet bang om te ster­ven, maar sprak zich toch uit te­gen de dood­straf. Hij ver­zocht zelfs om gra­tie met de ar­gu­men­ten dat hij spijt had en dat zijn dood toch niets zou uit­ha­len. Hij had im­mers vre­de ge­slo­ten met God en zijn bloed­dorst had hem ver­la­ten. Mis­schien dacht hij op­recht dat de vampier van Düsseldorf tot stof was ver­gaan, maar voor de fa­mi­lie­le­den van de slacht­of­fers was de exe­cu­tie van Pe­ter Kür­ten de eni­ge ma­nier om een staak door zijn hart te slaan.

“IK KAN HET BLOED HO­REN STRO­MEN, ZELFS ALS IK DWARS DOOR KLE­DING HEEN IN HET HART STEEK.”

Een van de re­de­nen waar­om Kür­ten zo veel vrou­wen kon ver­moor­den zijn on­be­ris­pe­lij­ke was ui­ter­lijk en be­leef­de op­tre­den. Hij zag er­uit als­of hij geen vlieg kwaad kon doen. Links: Op vei­li­ge af­stand van de ver­schrik­kin­gen in de Duit­se stad opent een Fran­se krant in 1929 met kop­pen over de ‘Vampier van Düsseldorf’.

Fo­to’s van de plaats van de­lict to­nen Kür­tens ver­schil­len­de me­tho­den om zijn slacht­of­fers uit te scha­ke­len en om te bren­gen: ha­mer­sla­gen op het hoofd en ste­ken in het li­chaam, aan­van­ke­lijk met een schaar, la­ter met een dolk.

Kür­ten ont­deed zich van zijn slacht­of­fers bij een boer­de­rij in kwam Pa­pen­dell. Op 18 no­vem­ber 1929 waar de een gro­te me­nig­te af op de plek po­li­tie een van de slacht­of­fers op­groef. Fo­to van een kal­me, pein­zen­dePe­ter Kür­ten, drie da­gen voor zijn exe­cu­tie.

Newspapers in Dutch

Newspapers from Netherlands

© PressReader. All rights reserved.