Dood­zon­de

De Standaard - - Sport - FI­LIP JOOS Col­lins Fai: een in­worp als kunst­werk.

On­ge­twij­feld werd de zon bui­ten­ge­slo­ten, op de jaar­lijk­se start­ver­ga­de­ring van scheids­rech­ters en Prof­li­ga. Het zaal­tje werd van de weer­om­stuit zo duis­ter dat een flik­ke­ren­de tl­lamp soe­laas moest bie­den, maar nie­mand nam daar aan­stoot aan. De ver­zen­gen­de zon had eind ju­li meer vij­an­den dan vrien­den ge­maakt, en ten­slot­te za­ten ze daar om te wer­ken, om met hun ver­za­mel­ de ver­stand en er­va­ring het voet­bal voor­uit te hel­pen. Het sfeer­lo­ze kunst­licht pas­te ove­ri­gens als ge­go­ten bij de kleur van hun pak­ken en das­sen: een ver­za­me­ling grijs­tin­ten die zelfs flut­ro­man­ne­tjes op hun ti­tel­blad niet voor mo­ge­lijk hou­den.

Al­le agen­da­pun­ten wa­ren de re­vue ge­pas­seerd, de ge­dach­ten vlo­den al naar de aard­se ver­lok­kin­gen die de avond zou bren­gen, toen er toch nog ie­mand ge­wich­tig zijn keel schraap­te, de per­fec­te so­no­re in­lei­ding tot de ernst van de kwes­tie. Het be­trof hier im­mers een hals­mis­drijf, een han­de­ling waar ab­so­luut paal en perk aan moest wor­den ge­steld, een ver­dor­ven ac­tie die het voor­bije sei­zoen had be­smeurd.

Het ge­beur­de op 10 mei, in het Astrid­park. Rond de klok van ach­ten, de zon was al een poos­je aan het zak­ ken en de avond­lucht kleur­de pur­per, in slier­ten, een al­tijd weer won­der­lij­ke sym­bi­o­se met de tint van de trui­tjes van de thuis­ploeg. Het was de ver­bluf­fen­de apo­the­o­se van een mooie wed­strijd, een sym­bo­lisch slot van een fel­be­voch­ten match tus­sen An­der­ lecht en Standard, ge­won­nen door de Rou­ches, om­dat Ju­ni­or Ed­mil­son die maand snel­ler over ver­la­ten prai­ries ga­lop­peer­de dan Arends­oog en Wit­te Ve­der dat ooit ver­moch­ten.

De ra­ce was al ge­va­ren, de rie­men wa­ren al bin­nen­ge­haald, Standard droom­de van wat nog ko­men kon en Anderlecht treur­de over wat had kun­nen zijn. De Rou­ches kre­gen een in­gooi – op de tri­bu­nes werd ge­geeuwd en na­ge­dacht over de ver­scheu­ren­de keu­ze tus­sen ka­ra­kol­len en hot­dog – en eens­klaps was er Col­lins Fai die zijn li­chaam met een zins­be­goo­che­len­de sal­to in een ka­ta­pult mu­teer­de en van een dood­sim­pe­le in­worp een kunst­werk maak­te.

Die frac­tie van een se­con­de waar­in hij on­der­ste­bo­ven door het zwerk tol­ de, was iets van niets. Even met je ogen knip­pe­ren, en het was voor­bij. Wed­strijd­be­pa­lend was Fai’s in­worp al he­le­maal niet. Wed­strijdover­stij­gend wel. De sal­to van de sal­tim­ban­co, de nar die ko­ning Cou­c­ke en zijn va­zal­len met de neus op de fei­ten druk­te: berg jul­lie ti­teld­ro­men maar op, en de twee­de plek kun­nen jul­lie ook ver­ge­ten.

Was het ver­ne­de­rend? Mis­schien. On­ge­twij­feld zelfs, voor Anderlecht. Maar sport ís ook ver­ne­de­ring, en dat is goed zo, om­dat wie ver­ne­dert hoog spel speelt, de in­zet ver­hoogt, het vuur op­pookt, tot vreug­de van wie kijkt: Fai was in mei even stunt­pi­loot in het lucht­ruim, maar net zo goed ligt hij straks bij de eer­ste match tus­ sen Anderlecht en Standard te­gen het can­vas. Zijn daad was on­be­zon­nen. En dus puur. Hij ne­geer­de het be­staan van boon­tje en loon­tje, het spreek­woord met ban­gig toe­komst­per­spec­tief dat ons al­le­maal af­remt. Het was jo­lijt, zon­der spijt.

Met zijn ca­pri­ool ver­an­der­de hij Standard in Ica­rus, en daar draait sport om: de tocht naar de zon, tel­kens weer, in de we­ten­schap dat je vleu­gels zul­len ver­bran­den, maar net zo goed in de we­ten­schap dat over­eind krab­be­len mo­ge­lijk is, en dat wij daar op de tri­bu­nes van ge­nie­ten, van die roetsj­baan tus­sen he­mel en aar­de, tus­sen bra­vou­re en mis­luk­king. Bij­na had ik ge­schre­ven: tus­sen goed en kwaad, maar net daar zit hem de fout, want dat is het uit­druk­ke­lijk niet, goed en kwaad zijn ad­jec­tie­ven die niks met de goo­che­lingooi van Fai te ma­ken heb­ben.

In de be­slis­sen­de wed­strijd van de Con­fe­ren­ce Fi­nals tus­sen de Cle­ve­land Ca­va­liers en de Boston Cel­tics dunk­te rookie Jay­son Ta­tum met nog een paar mi­nu­ten te spe­len bo­ven LeBron Ja­mes. In his fa­ce, hij bleef even aan de ring han­gen en bij de lan­ding brul­de hij zijn over­macht en over­moed uit, in het oog­wit van de ab­so­lu­te ve­det­te van de NBA. Tien mi­nu­ten la­ter wa­ren de Cel­tics uit­ge­scha­keld, LeBron had zijn Ca­va­liers op mees­ter­lij­ke wij­ze naar de over­win­ning ge­leid. De buz­zer was nog niet uit­ge­stor­ven of Ja­mes stap­te op Ta­tum af, en om­hels­de hem, se­con­den­lang, een fas­ci­ne­rend ge­baar, een te­ken van diep res­pect voor een bral­le­rig joch dat het had aan­ge­durfd hem te pro­be­ren ver­ne­de­ren. LeBron was dank­baar. Voor bra­nie. Van een te­gen­stan­der.

Sport is ook ver­ne­de­ring, en dat is goed zo, om­dat wie ver­ne­dert hoog spel speelt, de in­zet ver­hoogt

Op het WK in Rus­land speel­den En­ge­land en Co­lom­bia de kwart­fi­na­le. Bei­de lan­den had­den voor­heen en­kel een paar keer vriend­schap­pe­lijk te­gen el­kaar ge­voet­bald, en toch is een ac­tie uit zo’n on­be­te­ke­nen­de oe­fen­in­ter­land uit­ge­groeid tot een mo­ment dat de he­le we­reld kent. Op Wem­bley trap­te Ja­mie Red­knapp een voor­zet die te ver was en toe­val­lig rich­ting doel­mond vloog, een een­vou­di­ge pluk­bal zou het wor­den voor de doel­ man van Co­lom­bia, maar die sprong tot ie­ders ver­ba­zing te ver voor­uit, om zich dan in de lucht te krom­men en met zijn hak­ken de bal weg te trap­pen. Al­dus werd hij de­doel­man­van­de­schor­pi­oen­kick, een we­der­ge­boor­te. Hij werd Re­né Higuita, voor im­mer vet­ge­drukt, de inkt een re­veren­ce voor zijn stout­moe­di­ge on­be­zon­nen­heid, vet gaaf! Ver­ne­de­rend voor Red­knapp, waar­schijn­lijk. Maar sor­ry: hij is van geen tel. Ver­ma­len door de tand des tijds, ik heb het in­ter­net on­der­ste­bo­ven moe­ten ke­ren om zijn naam te vin­den.

Te­rug naar de be­stof­te he­ren­club. Daar werd be­slo­ten, ik ci­teer: ‘Acro­ba­ ti­sche in­wor­pen wor­den niet lan­ger ge­doogd.’ De mo­raal­rid­ders, in dof­grijs har­nas, maak­ten tóch een op­de­ling in goed en kwaad. Ze oor­deel­den over de in­worp, in plaats van er ge­woon van te ge­nie­ten. Al­dus ont­mas­ker­den ze zich­zelf, dat is wel va­ker het treu­ri­ge lot van re­gel­ne­ven.

Col­lins Fai – bij­na schreef ik zijn naam in het vet – ver­dien­de net lof. Min­stens het groot­rid­der­schap in de or­de van Bas­sie en Adri­aan, om­dat hij een lut­te­le se­con­de de clown en de acro­baat in zich ver­e­nig­de.

Of nog be­ter: la­ten we hem ere­bur­ger van In­gooi­gem ma­ken.

Fi­lip Joos

© rr

Newspapers in Dutch

Newspapers from Belgium

© PressReader. All rights reserved.