‘Vroe­ger wil­de ik de we­reld ver­o­ve­ren, nu wil ik hem ver­be­te­ren’

De Standaard - - Zomertijd - VICKY VANHOUTTE

Als be­gin­nend kun­ste­naar droom­de Louis De Cor­dier van roem en een loft in Man­hat­tan. Nu woont hij in een dorp­je in de Al­pu­jar­ras, in An­dal­us­ië, waar hij zijn nek uit­steekt voor een duur­za­me toe­komst. ‘Vroe­ger be­greep ik het “tra­nen­dal” waar­over Gor­ki zong. Nu niet meer.’

Eén paard wil­de hij ko­pen. Eén de­ge­lijk paard. Het was 2012 en een jaar eer­der had­den hij, zijn vrouw en hun twee klei­ne kin­de­ren het Bel­gi­sche Ou­den­aar­de ge­ruild voor het Spaan­se An­dal­us­ië. In Cá­diar, een dorp­je in de Al­pu­jar­ras, het berg­ach­ti­ge ge­bied op de zuid­flank van de Sier­ra Ne­va­da, zou­den ze voort­aan een rus­tig, een­vou­dig boe­ren­le­ven lei­den. En daar hoor­de een paard bij. Hij kon er uit hon­derd kie­zen, maar zijn oog viel op twaalf ras­paar­den, uit­ge­mer­geld, met over­groei­de hoe­ven, klaar voor de slacht­bank. Ze wa­ren aan­ge­schaft voor de cri­sis van 2008, toen me­nig wel­ge­stel­de in­wij­ke­ling zich een ca­bal­le­ro waan­de. Na de cri­sis kon nie­mand ze nog hou­den. Zijn hart brak. ‘Voor de prijs van het vlees mag je ze heb­ben’, zei de paar­den­han­de­laar. Toen Louis De Cor­dier thuis­kwam met twaalf ras­paar­den, maak­te zijn vrouw geen mis­baar.

Hij lacht. ‘Al­les wat ik doe, loopt uit de hand’, zegt hij. Het is sep­tem­ber 2017, we heb­ben af­ge­spro­ken in Bé­r­chu­les, vlak bij Cá­diar, waar hij in­tus­sen zes jaar woont en werkt. Het le­ven waar­op hij hoop­te, heeft hij ge­kre­gen. Of ge­maakt. Want De Cor­dier (40) mag dan rust en een­voud be­oogd heb­ben, te­ge­lijk droom­de hij groots. Dat had hij als kun­ste­naar al­tijd al ge­daan. En tus­sen droom en daad heeft hij nooit een kloof zien ga­pen.

Ken­nis be­wa­ren

Van­uit Bé­r­chu­les is het een uur rij­den ‘naar bo­ven’. Bo­ven, dat is 2.000 me­ter hoog. Daar be­vindt zich de Bi­bli­o­te­ca del Sol, De Cor­diers on­der­grond­se bi­bli­o­theek, zijn Ark voor een Duur­za­me Toe­komst. Op de weg er­heen is er links en rechts en­kel land­schap. Eén wan­de­laar, een ou­de, pe­zi­ge Bre­toen die zijn be­nen even wil spa­ren, ge­ven we een lift. Een­maal bo­ven: de af­zon­de­ring, de druk­ken­de stil­te, het over­wel­di­gen­de uit­zicht op het dal. De he­mel komt hier dich­ter bij de aar­de, als ik mijn arm strek, lijkt het als­of ik de arend die bo­ven het do­mein cir­kelt, bij­na kan aan­ra­ken.

Niets wijst er­op dat hier een bi­bli­o­theek ligt. Tot De Cor­dier een boog­je ge­sta­pel­de ste­nen aan­wijst, de in­gang. ‘Ik ga eerst naar bin­nen,’ zegt hij, ter­wijl hij op zijn knie­ën door een gang kruipt, ‘er kun­nen slan­gen zit­ten.’ Hij steekt kaar­sen aan. De ruim­te, een koe­pel met de ver­hou­din­gen van een Mon­gool­se joert, wordt lang­zaam­aan ver­licht. De stil­te is ge­wijd, als in een hei­lig­dom. In de vier recht­hoe­ki­ge zij­vleu­gels staan im­men­se va­ten waar­in niet­ge­ne­tisch ge­ma­ni­pu­leer­de za­den op­ge­sla­gen lig­gen, en kof­fers met boe­ken over we­ten­schap, kunst en fi­lo­so­fie. De op­zet: de cul­tu­re­le ken­nis dui­zen­den ja­ren be­wa­ren.

‘De Al­pu­jar­ras wor­den van ouds­her ge­as­so­ci­eerd met de te­gen­cul­tuur en de hip­pies’, zegt De Cor­dier. ‘Men­sen die ge­lo­ven dat er door de kli­maat­ver­an­de­ring, een we­reld­oor­log of –ramp in de na­bije toe­komst an­ar­chie zal ont­staan, zoe­ken hier hun toe­vlucht. Een vei­li­ger plek vind je nau­we­lijks. Kern­cen­tra­les vor­men geen ge­vaar, het ge­bied ligt zelfs niet in een fall­out­zo­ne. Mo­der­ne ste­den zijn er niet op voor­zien om zon­der olie te func­ti­o­ne­ren, hier heb je geen au­to’s no­dig, want je kunt te voet, per kar of met de ezel van dorp naar dorp.’

De hoog­moed en de bocht

Hij gaat even te­rug in de tijd, naar een ver­dwe­nen be­scha­ving. Dat doet hij graag. Dat in de grond een rij­ke ge­schie­de­nis ligt be­gra­ven, zegt hij. Dat de gu­er­ril­la­tech­niek hier is uit­ge­von­den. De Al­pu­jar­ras wa­ren het laat­ste toe­vluchts­oord van de Mo­ren, na­dat de diep ka­tho­lie­ke Isa­bel­la van Cas­ti­lië en Fer­di­nand II hen na 1492 had­den ver­dre­ven. Meer dan hon­derd jaar hiel­den ze in de ber­gen nog stand.

Die dwars­heid, dat ver­zet en de an­de­re ma­nier van le­ven waar­op ve­len zich hier la­ten voor­staan, heeft hij van thuis uit mee­ge­kre­gen. Zijn va­der is de kun­ste­naar Thier­ry De Cor­dier, die lan­ge tijd met zijn ge­zin en an­de­re kun­ste­naars in een kraak­fa­briek woon­de. ‘Er was geen wa­ter, geen elek­tri­ci­teit en we hak­ten zelf ons hout voor de ka­chel’, ver­telt hij. ‘Na­dien ver­huis­den we naar ’t Bur­re­ken in Scho­ris­se, waar het al niet veel be­ter was. Ik vond het fan­tas­tisch. Toen ik in Gent stu­deer­de, kreeg ik al heim­wee als ik een open haard zag.’

Hij be­gon met fi­lo­so­fie, maar scha­kel­de over op ar­chi­tec­tuur aan Sint­Lu­cas. Hij wil­de ar­tiest wor­den, groot wor­den. Hij wil­de er­bij ho­ren en droom­de van een loft in Man­hat­tan. Som­mi­ge ja­ren had hij tien tot vijf­tien ex­po’s, zijn naam was ver­bon­den aan een ga­le­rie in Zü­rich. Hij dacht: ik ben bin­nen. ‘Ik had het hoog in mijn bol’, zegt hij. En toen kreeg hij een klop van de ha­mer.

‘Het roer moest om’, zegt hij. ‘Voort­aan zou ik me nog met één ding per jaar be­zig­hou­den. Bui­ten de wit­te mu­ren van de ga­le­rie om. Weg van de op­per­vlak­ki­ge, ver­ziek­te kunst­we­reld die om geld draait. Au­to­noom.’

Het la­by­rint van Ha­wa­ra

Als kind al was hij ge­fas­ci­neerd door het my­thi­sche la­by­rint van Egyp­te, dat Griek­se his­to­ri­ci zo­als Hero­do­tus be­schre­ven als een tem­pel­com­plex van dui­zen­den ka­mers, bin­nen­plaat­sen en een wir­war van gan­gen, dat on­schat­ba­re in­for­ma­tie be­vat­te over de vroe­ge we­reld­ge­schie­de­nis. Al­leen had nie­mand na­dien ooit kun­nen be­wij­zen dat het be­stond. Als kun­ste­naar kreeg hij een zot idee: on­der­zoe­ken of zich bij de pi­ra­mi­de van Ha­wa­ra ef­fec­tief een on­der­gronds la­by­rint be­vond. Hij fi­nan­cier­de het pro­ject zelf, kreeg een groep ge­o­fy­si­ci mee, de UGent liet de plek scan­nen en leg­de de con­tou­ren bloot van een groot com­plex van on­der­grond­se ruim­ten. Het haal­de de we­reld­pers en dij­de uit.

In­tus­sen is hij er tien jaar mee be­zig, heeft hij een kan­toor in Ca­ï­ro, is op de plek de nieuw­ste sa­tel­liets­can­tech­no­lo­gie los­ge­la­ten en heeft hij een team sa­men­ge­steld van de bes­te ar­che­o­lo­gen ter we­reld. Maar tot op­gra­vin­gen is het nog al­tijd niet ge­ko­men. Hij zal zich hoogst­waar­schijn­lijk uit het pro­ject te­rug­trek­ken, het ein­de er­van blijft voor­lo­pig open.

Het idee er­ach­ter – de vraag naar de oor­sprong en toe­komst van on­ze cul­tuur – zou zijn lei­draad blij­ven. Dat kop­pel­de hij aan de vi­sie van de Duit­se kun­ste­naar Jo­seph Beuys. ‘Hij ver­wierp het idee van de in­di­vi­du­e­le kun­ste­naar die van­we­ge een the­ra­peu­ti­sche be­hoef­te zijn werk maakt’, zegt De Cor­dier. ‘Hij wil­de kunst ma­ken waar­aan ie­der­een kon deel­ne­men, om van de we­reld een be­te­re plek te ma­ken.’

Voor zijn Bi­bli­o­te­ca del Sol ron­sel­de De Cor­dier zes­tig vrij­wil­li­gers in de streek, die ‘daar bo­ven’ on­der­dak en eten kre­gen. Zon­der hen had hij zijn droom nooit kun­nen re­a­li­se­ren. De we­reld­ver­o­ve­raar werd we­reld­ver­be­te­raar, de in­si­der in de kunst­we­reld een out­si­der. Zijn kun­ste­naars­naam is niet lan­ger Louis De Cor­dier, maar Co­sco: geen in­di­vi­du, maar een col­lec­tief.

Ster­ke bij­en

In België was De Cor­dier al be­zig ge­weest met duur­za­me, eco­lo­gi­sche land­bouw, in de Al­pu­jar­ras wil­de hij dat ver­die­pen. Er was aan­van­ke­lijk wei­nig, in de lo­ka­le su­per­markt trof hij niks eco­lo­gisch aan. Tot hij be­trok­ken ge­raak­te bij Las Tor­cas, een klei­ne co­ö­pe­ra­tie in Or­gi­va, die in­tus­sen is uit­ge­groeid tot een net­werk van 57 boe­ren en kun­ste­naars. De jun­ta heeft zelfs een nieuw ge­bouw ge­fi­nan­cierd om eco­lo­gi­sche land­bouw te sti­mu­le­ren en er kin­de­ren over te on­der­rich­ten. ‘We ex­por­te­ren on­der meer naar Duitsland en de BEO­markt in Gent. Al­les wat je in het Noor­den niet hebt: pa­pri­ka’s, avo­ca­do’s, aman­de­len, si­naas­ap­pe­len en ci­troe­nen.’

Ook met bij­en wil­de hij ‘iets’ doen. Eerst had hij de paar­den ge­red, toen volg­den de in­sec­ten. ‘De kust van Al­mería is de groot­ste ser­re van Eu­ro­pa’, ver­telt De Cor­dier. ‘De bij­en vin­den in de kas­ten en ser­res nau­we­lijks voed­sel, met zak­jes sui­ker wor­den ze bij­ge­voerd. Het ge­bruik van pes­ti­ci­den en ge­ne­tisch ge­ma­ni­pu­leer­de ge­was­sen leidt tot ge­ne­ti­sche ver­zwak­king.’

Als ik de Bi­bli­o­te­ca be­zoek, staan vlak­bij vier kast­jes. We trek­ken een im­ker­pak aan, be­kij­ken

‘Het roer moest om. Voort­aan zou ik me nog met één ding per jaar be­zig­hou­den. Bui­ten de wit­te mu­ren van de ga­le­rie om. Weg van de op­per­vlak­ki­ge, ver­ziek­te kunst­we­reld die om geld draait’

de agres­sie­ve dar­ren van dicht­bij. ‘De bij­en kun­nen hier zo na­tuur­lijk mo­ge­lijk hun ding doen’, zegt hij. ‘Hun ge­ne­ti­sche sterk­te wordt niet ver­zwakt.’ Bij­na een jaar la­ter is De Cor­diers bij­en­i­ni­ti­a­tief uit­ge­zwermd. ‘Ie­der­een wil hier nu zo’n pak en zo’n kast. In­tus­sen zijn er 48.’

Het eco­lo­gi­sche net­werk ver­takt zich steeds ver­der. In Ca­na­da kocht De Cor­dier har­de win­ter­tar­we, die re­sis­tent is te­gen de kou. In de Al­pu­jar­ras ge­bruik­ten de boe­ren die vroe­ger ook, tot ze zes­tig jaar ge­le­den ver­van­gen werd door ge­wo­ne tar­we. Nu zijn som­mi­gen op­nieuw over­ge­scha­keld op win­ter­tar­we.

‘In ons dorp staat een zes­hon­derd jaar ou­de wa­ter­mo­len, waar een ne­gen­tig­ja­ri­ge man een mu­se­um­pje uit­baat. Zes men­sen heb­ben zich in­tus­sen be­reid ver­klaard om mo­le­naar te wor­den. We ko­men el­ke week sa­men om eco­lo­gisch graan te ma­len, met wa­ter uit de ber­gen, waar­mee we tra­di­ti­o­ne­le bro­den bak­ken. Die ver­ko­pen we op de markt, net zo­als on­ze bloem.’

In de lijn van de bi­bli­o­theek richt­te De Cor­dier ook een gra­fie­ka­te­lier op. ‘In het school­tje van Ram­bla del Ban­co, het klein­ste dorp van An­dal­us­ië, waar nog al­tijd geen elek­tri­ci­teit is, staan de per­sen klaar. Voor druk­werk, fol­der­tjes, voor kin­de­ren en kun­ste­naars. Ik ben van plan ou­de Hei­del­berg­toe­stel­len aan te ko­pen en een boek­druk­ke­rij te be­gin­nen. De be­doe­ling is klas­sie­kers te her­druk­ken, het idee, op­nieuw: duur­zaam­heid uit­dra­gen.’

Kun­ste­naars no­digt hij ook in zijn Re­fu­gio Su­layr, de re­fu­ge op het do­mein van de Bi­bli­o­te­ca. ‘Aan­van­ke­lijk za­ten ze er al­leen, en voor­al in de win­ter kan het er een­zaam wor­den, je bent dan he­le­maal af­ge­sne­den van de we­reld. Nu ba­ten twee vluch­te­lin­gen uit Pa­ta­go­nië het uit. Zij geeft me­di­ta­tie­les­sen, hij houdt zich be­zig met bi­o­lo­gi­sche land­bouw voor ei­gen ge­bruik.’

Een an­der fa­mi­lie­le­ven

De Al­pu­jar­ras wer­den ook De Cor­diers toe­vluchts­oord. Hij kwam er weer dicht bij zich­zelf, vorm­de een com­mu­ni­ty. Niet al­leen met de in­gle­ses, zo­als de lo­cals de im­mi­gran­ten van der­tig ver­schil­len­de na­ti­o­na­li­tei­ten hier ge­maks­hal­ve noe­men, maar ook met zijn ei­gen fa­mi­lie. ‘Vroe­ger gin­gen we op za­ter­dag op be­zoek bij de ou­ders of schoon­ou­ders, de kin­de­ren speel­den er wat, we aten taart, we bab­bel­den bij en ver­trok­ken weer. Ie­der had zijn ei­gen, apar­te le­ven. Nu ko­men de ou­ders en schoon­ou­ders elk jaar drie maan­den naar hier. We bak­ken sa­men taart, we ra­pen sa­men kas­tan­jes, we re­pa­re­ren sa­men een au­to, gaan bij de bron wa­ter ha­len. In die drie maan­den doe je hier sa­men even­veel als in zes jaar in België.’ Zijn broer woont er in­tus­sen vijf jaar, zijn ou­ders ver­huis­den eind vo­rig jaar naar de Al­pu­jar­ras.

‘Ik heb op­nieuw een doel en vol­doe­ning ge­von­den,’ zegt hij. Be­gin ju­ni is De Cor­dier in Gent en spreek ik hem op­nieuw. ‘Ik hoor­de net op de ra­dio een lied­je van Gor­ki waar­in hij zingt over “dit tra­nen­dal”. Vroe­ger be­greep ik dat tra­nen­dal, nu niet meer. Ik heb een enor­me ener­gie her­von­den, en mijn ver­won­de­ring. Dat kon al­leen maar om­dat ik ben weg­ge­gaan, om­dat ik af­stand heb ge­no­men en te­rug kon kij­ken op waar ik van­daan kom.’

Hij komt nog graag te­rug, zij het voor even. ‘In de ber­gen leef ik so­ber en heel gezond. Ik ga vroeg sla­pen en drink bij ge­le­gen­heid maxi­maal twee gla­zen wijn. Als ik in België ben, wordt het twee, drie uur ’s nachts, drink ik zes gla­zen wijn en daar­na nog een whis­ky. De ver­lei­ding is er over­al. Mocht ik er te lang zijn, ik zou op­nieuw de pe­da­len ver­lie­zen.’

Ro­man­ti­se­ren wil hij zijn boe­ren­le­ven niet. ‘Het is een har­der be­staan. Als jij in je huis bin­nen­komt, zet je de ver­war­ming aan. In Cá­diar word je wak­ker in een koud huis. Je moet zelf je hout hak­ken en de ka­chel aan­ste­ken.’ Maar voor hem is dat ‘het ech­te le­ven’.

Bur­ge­mees­ter

‘Echt’ moet ook zijn kunst zijn. Voor Art Ba­sel in ju­ni maak­te hij een werk waar­in le­ven en kun­ste­naar­schap sa­men­val­len. De mos­terd haal­de hij bij de zak­ken met steen­kool van Jan­nis Kou­nel­lis, die hij als kind had ge­zien, maar hij voeg­de iets toe. ‘Ik heb mijn ei­gen aman­de­len ge­oogst en die in ju­ten zak­ken ge­ëx­po­seerd. Daar­ naast lig­gen twee op el­kaar ge­sta­pel­de ste­nen uit de ri­vier, zo kra­ken ze in de Al­pu­jar­ras no­ten. Op de ex­po kun­nen be­zoe­kers zelf no­ten kra­ken, waar­na het kraak­sel op de grond valt. Het gaat om de er­va­ring, het deel­ne­men.’

Wat ze er in de kunst­we­reld van den­ken: het zal De Cor­dier worst we­zen. ‘De ou­de­re ge­ne­ra­tie vindt mij maar een ra­re ke­rel. Voor hen ben je of­wel schil­der, beeld­hou­wer of meu­bel­ma­ker. Ik ont­trek mij daar­aan.’ Zijn ge­voel te­gen­over de kunst­we­reld blijft dub­bel. ‘Al het po­si­tie­ve en ne­ga­tie­ve zit er sa­men. De ver­za­me­laars, de men­sen van het gro­te geld, be­pa­len de we­reld zo­als die van­daag draait. Te­ge­lijk is het de plek waar je aan­we­zig moet zijn als je ver­an­de­ring te­weeg wilt bren­gen.’

In de po­li­tiek wil hij voor­lo­pig niet gaan, zegt hij. Hij glim­lacht, stelt bij. ‘Ten­zij lo­kaal. Ik ben ge­vraagd om bur­ge­mees­ter van Cá­diar te wor­den. Twee werk­pun­ten heb ik. We zijn een dorp met een ei­gen kli­niek, po­li­tie­ en brand­weer­ka­zer­ne, elek­tri­ci­teits­cen­tra­le en tank­sta­ti­on. Wat ont­breekt, is een club­huis waar de ve­le ou­de­ren die er vaak ge­ï­so­leerd wo­nen, el­kaar kun­nen ont­moe­ten. Daar­voor zal het oud­ste ge­bouw van Cá­diar wor­den ge­re­no­veerd. Punt twee: er is geen wa­ter­zui­ve­rings­sta­ti­on, de ri­o­le­ring komt uit in de prach­ti­ge ri­vier. In de zo­mer loopt het wa­ter van bo­ven de dro­ge ri­vier in, met een enor­me stank als ge­volg. De hui­di­ge bur­ge­mees­ters zijn er niet mee be­zig, die be­ta­len lie­ver een boe­te van 3.000 eu­ro per jaar. Ik wil het an­ders aan­pak­ken.’

www.co­sco.one

MAAN­DAG: Wat ver­telt een stad met haar geu­ren? Een snuf­fel­tocht.

‘In de ber­gen leef ik so­ber. Ik ga vroeg sla­pen en drink bij ge­le­gen­heid twee gla­zen wijn. Als ik in België ben, wordt het twee, drie uur ’s nachts, drink ik zes gla­zen wijn en dan nog een whis­ky. De ver­lei­ding is over­al’

© Ma­thi­as Casaer

© Ma­thi­as Casaer

In de Bi­bli­o­te­ca del Sol (fo­to links: in­gang) wil De Cor­dier cul­tu­re­le ken­nis be­wa­ren. In de zij­vleu­gels lig­gen boe­ken en za­den.

© rr

© rr

Bij de Bi­bli­o­te­ca del Sol staan vier bij­en­kas­ten. ‘De bij­en kun­nen hier zo na­tuur­lijk mo­ge­lijk le­ven.’

Newspapers in Dutch

Newspapers from Belgium

© PressReader. All rights reserved.