Ver­brand

De Standaard - - Sport -

Woens­dag­avond nog, de dag waar­op ze wer­den op­ge­pakt, was ik be­reid mijn han­den in het vuur te ste­ken voor scheids­rech­ters Sé­bas­tien Del­fe­ri­è­re en Bart Ver­ten­ten. Don­der­dag­och­tend al bleek dat na­ïef.

Waar­om ik mijn han­den en­zo­voort, en­zo­voort...?

Om­dat het al­le­bei goeie refs zijn – en­fin: wa­ren. Del­fe­ri­è­re ken ik nau­we­lijks, als we voor een wed­strijd in de spe­lers­tun­nel al eens op el­kaar bot­sten, viel me al­tijd zijn gui­ti­ge blik op. Hij was geen stren­ge po­li­tie­agent, voet­bal­lers za­gen in hem one of the boys, dat ver­klaart zijn po­pu­la­ri­teit. Fout­loos was hij niet, dat is geen en­ke­le ref, maar wie em­pa­thisch fluit, oogst be­grip voor mis­sers.

Ont­moe­tin­gen met Bart Ver­ten­ten wa­ren al even kort­ston­dig, maar van hem kreeg ik een jaar ge­le­den wel een be­richt­je – het num­mer was mij on­be­kend. Het was na An­der­lechtOos­ten­de, een wed­strijd die hij had ge­flo­ten en ik be­com­men­ta­ri­eerd. Een zout­lo­ze par­tij, slechts ge­kleurd door een bi­zar­re bui­ten­spel­fa­se, een wed­strijd­si­tu­a­tie die een maas in het voet­bal­re­gle­ment bloot­leg­de. Hij vond het bui­ten­spel, ik niet. Ik was net thuis, de kin­de­ren slie­pen al, dus bel­ de ik hem ijs­be­rend door de tuin op. Een half­uur lang knet­ter­den ar­gu­men­ten heen en weer, maar ik her­in­ner me dat als een fijn ge­sprek. Een paar we­ken la­ter stuur­de hij me nog één be­richt: het ver­dict van de Uefa over de fa­se luid­de ‘off­si­de’. Hij kreeg dus ge­lijk, maar zijn be­richt was wars van tri­om­fa­lis­me, en dat vond ik knap.

Die man­nen wa­ren ge­pas­si­o­neerd met hun job be­zig. Met goes­ting. Hun stijl was ver­schil­lend, ie­de­re vo­gel fluit nu een­maal zo­als hij ge­bekt is, maar ze wa­ren elk op hun ma­nier de lo­gi­sche voort­zet­ting van de ‘me­neer den ar­bi­ter’ die je op ver­geel­de fo­to’s in kran­tenar­chie­ven aan­treft: he­ren van stand.

Niet dus. Ze na­men een loop­je met de con­di­tio si­ne qua non van de scheids­rech­ter: in­te­gri­teit. On­kreuk­baar­heid. Deu­ken loop je so­wie­so op, het scheids­rech­ters­be­staan is een hob­be­li­ge dol­le­mans­rit, el­ke wed­strijd weer. Maar kreu­ken, dat is wat an­ders, daar ben je zelf voor ver­ant­woor­de­lijk. En die zijn on­ver­geef­lijk. Geen he­ren van stand, maar man­nen aan de lou­che rand.

Bei­de scheids­rech­ters on­der­hiel­den een al te vriend­schap­pe­lij­ke band met ma­na­ger De­jan Veljko­vic – een zin vol eu­fe­mis­men. Del­fe­ri­è­re liet hem be­mid­de­len bij de aan­koop van een au­to, Ver­ten­ten had in­ten­sief con­tact met de huis­ma­ke­laar van KV Mechelen, in vol­le de­gra­da­tie­strijd. In ruil voor goe­de quo­te­rin­gen in de kran­ten. Zie­lig? Ze­ker, maar wel een he­den­daag­se ver­zuch­ting, dit zijn tij­den van per­ma­nen­te be­oor­de­ling, Fa­ce­book, In­st­agram, TripAd­vi­sor, al­le­maal zijn ze op ‘li­kes’ ge­bouwd. Bart Ver­ten­ten, in de boei­en ge­sla­gen, we­gens ge­boeid door wat de we­reld van hem denkt. Zou het zo sim­pel zijn? Gaf Veljko­vic een beet­je aan­dacht, een beet­je lief­de aan een mens wiens be­slis­sin­gen so­wie­so el­ke week in vol­le sta­di­ons wor­den weg­ge­hoond? Was dat al vol­doen­de om over­stag te gaan? Een ge­ge­ven aai kijk je niet in de hand? Het zou me niet ver­ba­zen, Veljko­vic is als Mi­lan Jo­va­no­vic: ie­der­een is ‘my friend’. Maar: een ref die hun­kert naar goed­keu­ring, is een vo­gel voor de kat.

Mo­gi Bay­at heb ik één keer ont­moet, in de lift op Staey­en. Hij zei ge­ dag, met een mon­kel­lach­je dat van al­ les kon be­te­ke­nen. Het was een week na­dat we in Ex­tra Ti­me Her­man Van Hols­beeck voor de voe­ten had­den ge­wor­pen dat het toch niet koos­jer was dat Bay­at over een heus kan­toor in het Con­stant Van­den Stock­sta­di­on be­ schik­te. Was hem dat ver­teld? Geen idee. Hij keek ge­ring­schat­tend, was on­aan­raak­baar en on­ge­naak­baar, een nou­veau ri­che, ver­he­ven bo­ven het kloot­jes­volk – dat hij een voet­bal­com­ men­ta­tor daar­bij in­deel­de, was zon­ne­ klaar.

De­jan Veljko­vic is ogen­schijn­lijk het te­gen­over­ge­stel­de. Al­tijd vrien­de­lijk, nooit neer­bui­gend. Hij praat een zan­ge­rig en mooi Ne­der­lands met char­mant Sla­visch ac­cent, lijkt op Gru uit de film Ver­schrik­ke­lij­ke ik­ke, de would­be­su­per­schurk die smelt voor Mi­ni­ons en wees­kin­de­ren.

Een klein de­cen­ni­um ge­le­den kreeg ik te­le­foon van Dra­gan Sil­ja­noski, die een half sei­zoen lang mijn ploeg­maat was ge­weest bij Ly­ra. Hij kwam tij­dens de winter over van Ant­werp en al op de eer­ste trai­ning be­gre­pen wij waar­om The Gre­at Old des­tijds ge­de­gra­deerd was, hij was, om het zacht uit te druk­ken, geen groot voet­bal­ler. Wel en­thou­si­ast, zo be­groet­te hij me ook aan de te­le­foon. Of ik hem uit de rats kon hel­pen? Hij had drin­gend een dvd no­dig met de doel­pun­ten van Ibra­hi­ma Si­di­bé, spits van STVV die toen­ter­tijd fu­ro­re maak­te.

Ik be­loof­de hem te hel­pen, for old ti­mes’ sa­ke, in een half­uur­tje was de dvd klaar – een goal of ze­ven, zo’n ge­wel­de­naar was Si­di­bé nu ook weer niet. De dag er­na zou de over­han­di­ging plaats­vin­den.

‘Ver­so, 14 uur,’ biep­te mijn te­le­foon. Ver­so is een Ant­werp­se kle­ding­zaak an­nex bar voor de hap­py few, be­kak­ter vind je ze niet. Daar op het ter­ras: Dra­gan. En ook zijn baas: De­jan, de ma­na­ger. Ik gaf hen de dvd. Waar­op Veljko­vic me een wit doos­je toe­schoof. Met daar­in een spik­splin­ter­nieu­we iPho­ne, die schril af­stak te­gen mijn be­schei­den No­kia’tje.

Want dat is ma­na­ger zijn à la Veljko­vic: net­wer­ken, tot ver­ve­lens toe, glim­la­chen, men­sen in­pal­men. Het kost hem geen moei­te, ligt in zijn na­tuur, ik zei het al, hij is de vrien­de­lijk­heid zel­ve. Te­ge­lijk, als ik hem zo be­zig zie, weet ik weer waar­om ik nooit naar pers­di­ners ga op bui­ten­land­se trips: ik word al moe bij de ge­dach­te al­leen. En bo­ven­dien: wie net­werkt, raakt niet zel­den in net­ten ver­strikt – ik heb mak­ke­lijk pra­ten, be­sef ik, ben vrij­ge­steld van de jacht op pri­meurs.

Ik schoof de iPho­ne te­rug, zei dat ik voor dat schijf­je van Si­di­bé niks hoef­de. Drink dan iets, klonk het. Ik nam, echt waar, een crè­me brûlée. Die met veel tam­tam aan het ter­ras­ta­fel­tje werd ge­pre­pa­reerd, met bun­sen­bran­der en al.

Ik hield mijn han­den thuis, stak ze niet in het vuur. Ik ver­brand­de me niet.

Fi­lip Joos is voet­bal­com­men­ta­tor voor de VRT en Play Sports. Zijn co­lumn ver­schijnt we­ke­lijks op za­ter­dag.

Sé­bas­tien Del­fe­ri­è­re en Bart Ver­ten­ten na­men een loop­je met de con­di­tio si­ne qua non van de scheids­rech­ter: in­te­gri­teit.

© Vin­cent Ka­lut/photo news

Newspapers in Dutch

Newspapers from Belgium

© PressReader. All rights reserved.