“Ik voel me in de steek ge­la­ten door de po­li­tie”

Di­nu Car­pa­ciu Va­der “Op de leef­tijd die Puia nu zou heb­ben, 29 jaar, was ik al lang va­der. Als ik een ke­rel van zijn leef­tijd op straat zie, dan denk ik daar vaak aan.” Bij­na twintig jaar na gru­wel­moord op zijn zoon spreekt va­der van Puia Ma­ri­nes­cu voor

Gazet van Antwerpen Kempen - - CRI­MI­NA­LI­TEIT - SAM REYNTJENS

Af­ge­lo­pen week werd een ver­dach­te op­ge­pakt voor een 26 jaar ou­de moord, een zo­ge­naam­de cold case. Een suc­ces voor de on­der­zoe­kers, maar de lijst on­op­ge­los­te moor­den blijft groot. Een van die an­de­re cold ca­ses is de gru­we­lij­ke moord op de 10-ja­ri­ge Puia Ma­ri­nes­cu in 1999. Bij­na twintig jaar la­ter spreekt de va­der van Puia voor het eerst.

Di­nu Car­pa­ciu heet de va­der van Puia Ma­ri­nes­cu, het 10-ja­rig jon­ge­tje dat in 1999 gru­we­lijk ver­moord werd (zie ka­der). Dat ver­schil in ach­ter­naam tus­sen va­der en zoon komt voort uit een fout bij de ge­boor­te­aan­gif­te van va­der Di­nu, be­gin ja­ren 70 in Duits­land. “Be­hal­ve ik, heet heel de fa­mi­lie Ma­ri­nes­cu”, zegt hij.

Hij ont­vangt ons in een ap­par­te­ment aan de Maas in Luik. Di­nu Car­pa­ciu woont er bij zijn hui­di­ge vrouw. Di­nu is een ge­blok­te man, 46 jaar oud. Hij ver­telt voor het eerst over de dood van zijn zoon, over waar hij – de ‘gro­te af­we­zi­ge’ – in de na­sleep van de moord was en over wat hij nog hoopt te we­ten te ko­men.

Di­nu was nog een tie­ner toen hij in 1989 in Roe­me­nië va­der werd van Puia. “Pui­as moe­der ver­trok twee we­ken na de ge­boor­te. Ik zorg­de al­leen voor hem. Voor moe­der­melk ging ik naar jon­ge ma­ma’s in de buurt.”

Ant­wer­pen-Noord

Vier jaar na de ge­boor­te zag hij Puia voor het laatst. “Ik had een nieu­we vrouw ont­moet en emi­greer­de met haar naar de Ver­e­nig­de Sta­ten.” Dat hij zijn zoon­tje ach­ter­liet bij de fa­mi­lie in Roe­me­nië vindt Di­nu niet uit­zon­der­lijk. “Puia was in goe­de han­den bij mijn moe­der en mijn zus­sen. Bij ons is fa­mi­lie heel be­lang­rijk. Thuis wa­ren wij met elf broers en zus­sen en we heb­ben het al­tijd heel goed met el­kaar kun­nen vin­den.” Zi­geu­ners zijn ze niet, zo zegt Di­nu, maar na de Roe­meen­se re­vo­lu­tie in 1989 zwierf de fa­mi­lie wel uit over de he­le we­reld.

Ook de klei­ne Puia trok ui­t­ein­de­lijk met de rest van de fa­mi­lie on­der de hoe­de van zijn groot­moe­der naar Bel­gië. “Eerst naar Brus­sel, daar­na naar Ant­wer­pen.” Tot 1999 was er vol­gens Di­nu geen vuil­tje aan de lucht. “We had­den niet zo vaak con­tact om­dat ik in Ame­ri­ka zat en we nog geen gsm of in­ter­net had­den.”

Om­dat er thuis in Roe­me­nië pro­ble­men wa­ren met een van de non­kels van Puia, trok zijn groot­moe­der in 1999 even te­rug naar het land van herkomst. “Puia bleef bij mijn zus­sen in Ant­wer­pen (in een wo­ning in de Rot­ter­dam­straat,

red.).” In de­zelf­de pe­ri­o­de, maart 1999, scheid­de va­der Di­nu van zijn vrouw en ver­liet hij Ame­ri­ka om te­rug in Roe­me­nië te gaan wo­nen. “Ik had een huis ge­kocht en we leef­den rus­tig sa­men met de fa­mi­lie die nog in Roe­me­nië woon­de. Tot mijn zus van­uit Ant­wer­pen bel­de. Ze ver­tel­de dat Puia niet thuis­ge­ko­men was. Da­gen gin­gen voor­bij zon­der nieuws. Tot ik thuis­kwam van mijn werk en mijn broer Da­vid zat te hui­len. Puia was dood te­rug­ge­von­den. Ver­moord.” Scheeps­wer­kers had­den de 9-ja­ri­ge jon­gen op 26 ju­li 1999 aan­ge­trof­fen in het Lo­broek­dok (zie ka­der). Di­nu be­land­de naar ei­gen zeg­gen in een da­gen­lan­ge co­ma. “Door de shock.”

De Roe­meen­se po­li­tie klop­te nog en­ke­le da­gen la­ter aan bij de fa­mi­lie Ma­ri­nes­cu in Ti­misoa­ra, een stad niet ver van het drie­lan­den­punt met Ser­vië en Honga­rije. “De­tails over wat er ge­beurd was wa­ren ner­gens te krij­gen, ook bij de am­bas­sa­de niet”, zegt Di­nu. “Naar Bel­gië ge­ra­ken was ook nog niet zo ge­mak­ke­lijk en voor­al duur. Ik heb ui­t­ein­de­lijk mijn huis ver­kocht en heb me in 2000 door een smok­ke­laar naar Brus­sel la­ten bren­gen. Met geld op zak om Puia zijn li­chaam mee te kun­nen ne­men naar Roe­me­nië en hem daar te be­gra­ven.”

“Ant­woor­den ble­ven uit”

In Brus­sel leef­de Di­nu il­le­gaal. Af en toe trok hij naar Ant­wer­pen

voor ver­ho­ren bij de speur­ders die het on­der­zoek naar de gru­we­lij­ke moord op zijn zoon voer­den. “De wij­k­agent kwam me dat tel­kens vra­gen. Tot in 2002, toen hoor­de ik niets meer. Zelf bleef ik wel bel­len naar de speur­ders. Ze zei­den dat ze er aan werk­ten. ‘Maak je geen zor­gen, we zijn er­mee be­zig’, klonk het al­tijd. Ten­min­ste, als ik zelf con­tact op­nam.”

Hij vindt dat hij te wei­nig hulp ge­kre­gen heeft. “Ant­woor­den ble­ven uit en het li­chaam van mijn zoon heb ik nooit mee­ge­kre­gen. Had­den ze me op zijn minst geen pa­pie­ren kun­nen ge­ven ter­wijl ik hier was voor het on­der­zoek naar de moord op mijn zoon­tje?” Dat het dos­sier af­ge­slo­ten was, hoor­de hij naar ei­gen zeg­gen ook nooit (on­der­tus­sen is het her­o­pend door het par­ket, zie

ka­der). “De brief die daar­over ge­stuurd werd, is blijk­baar naar een an­der adres ge­gaan. Dat weet ik sinds kort om­dat mijn nieu­we ad­vo­caat het dos­sier heeft kun­nen in­kij­ken. Maar ze had­den me toch kun­nen bel­len? Wie mij wíl vin­den, vindt me zo. Ik ver­huis niet, heb al meer dan tien jaar het­zelf­de num­mer en ga al ja­ren ge­re­geld naar het Cita­del­zie­ken­huis in Luik.” On­danks zijn re­la­tief jon­ge leef­tijd heeft Car­pa­ciu naar ei­gen zeg­gen na­me­lijk niet meer lang te le­ven. “Dicht­ge­slib­de aders. Ik neem bloed­druk­ver­la­gers, maar ik ben ei­gen­lijk ‘une le­gu­me’, ik mag geen in­span­nin­gen meer doen.” Door op­nieuw een ad­vo­caat on­der de arm te ne­men, hoopt Di­nu bij­na twintig jaar na de moord op zijn zoon­tje als­nog ant­woor­den te krij­gen. “De po­li­tie heeft te wei­nig ge­daan, vind ik. Om­dat Puia het kind van een vreem­de­ling was. Zijn fo­to is nooit ver­spreid zo­als bij an­de­re kin­de­ren.” Dat klopt niet: in au­gus­tus 1999, en­ke­le da­gen na de ont­dek­king van het li­chaam, ging de po­li­tie mas­saal de straat op met de fo­to van de klei­ne Puia. Toen was va­der Di­nu nog niet in Bel­gië. “Ik ben ui­t­ein­de­lijk zelf in Lier gaan wo­nen en ging na­dien zelf af­fi­ches op­han­gen in Ant­wer­pen om ge­tui­gen te vin­den.”

Dat zijn zoon­tje ging be­de­len voor de fa­mi­lie, zo­als in de na­sleep van zijn dood werd ge­zegd, be­twij­felt Di­nu. “Wat wel kan is dat hij zijn oom hielp, die zong op straat. Of mis­schien ging Puia op ei­gen ini­ti­a­tief wat eten en drin­ken rond­ha­len voor zich­zelf, dat kan ook. Mijn fa­mi­lie kon hier niet wer­ken, want ze wa­ren il­le­gaal. Er was dus niet veel geld. Maar be­de­laars, nee, dat zijn wij niet.” Tij­dens het on­der­zoek kwam ook de pis­te van kin­der­pros­ti­tu­tie aan bod. “Uit­ge­slo­ten”, re­a­geert de hui­di­ge vrouw van va­der Di­nu in zijn plaats als we het the­ma voor­zich­tig aan­bren­gen.

Schuld­ge­voel

Het moei­lijkst voor va­der Di­nu is het feit dat hij het li­chaam van zijn zoon­tje nooit heeft kun­nen ‘be­mach­ti­gen’. “Dan had ik hem mee naar Roe­me­nië kun­nen ne­men en had­den we in rust ge­weest bij de fa­mi­lie. Nu is hij er­gens be­gra­ven en weet ik niet eens waar. Vol­gens wat ik hoor­de be­staat het graf niet eens meer.” Dat wordt be­ves­tigd door de stad Ant­wer­pen (zie ka­der).

El­ke dag denkt Di­nu naar ei­gen zeg­gen nog aan zijn zoon­tje. “Mijn moe­der, Pui­as groot­moe­der, ook. We voe­len ons al­le­bei een beet­je schul­dig na­tuur­lijk. Dat we toen niet hier in Bel­gië wa­ren, bij Puia. Maar ik dacht dat hij vei­lig was, dat hij bij mijn fa­mi­lie be­ter was dan bij mijn nieu­we vrouw in Ame­ri­ka. Voor mijn broers en zus­sen was hij als hun ei­gen kind, voor de jong­sten zelfs als een soort broer­tje.”

Hoe­wel hij zijn zoon voor het laatst zag ruim vijf jaar voor diens dood in 1999 zijn de her­in­ne­rin­gen hel­der, zo ver­telt Di­nu met tra­nen in de ogen. “Ik hield zo veel van hem, we wa­ren echt vrien­den. Puia was een lie­ve jon­gen. An­ders dan zijn leef­tijds­ge­noot­jes. Hij sprak wei­nig en was rus­tig. Hij leek slim­mer dan an­de­re kin­de­ren, ou­der ook.” Soms hoopt Di­nu dat zijn zoon niet echt dood is. “Dat hij plots dag gaat ko­men zeg­gen, dat hij lacht en er goed uit­ziet. Op de leef­tijd die hij nu zou heb­ben, 29 jaar, was ik al lang va­der. Als ik een ke­rel van zijn leef­tijd op straat zie, dan denk ik daar vaak aan.” Als we hem een fo­to to­nen van zijn zoon, huilt Di­nu. “Als ik denk aan wat er met hem ge­beurd is, hoe gru­we­lijk hij ver­moord is, heb ik pijn in mijn hart.” Hij re­kent er niet meer op dat de moor­de­naar van zijn zoon ge­vat wordt. “Ik be­twij­fel of ze hard ge­noeg ge­zocht heb­ben”, zegt Di­nu. “Heeft men ie­der­een wel ge­spro­ken met wie Puia con­tact had? Mijn zoon hield van die­ren, op zijn li­chaam wer­den twee hon­den­ha­ren ge­von­den. Bij wie speel­de hij met de hond? Dat vind ik in het dos­sier niet te­rug.”

Wat hij nu nog wil? “Zijn li­chaam, dat ik Puia zelf kan be­gra­ven. Niet meer in Roe­me­nië, wij gaan hier niet meer weg uit Luik. Ik wil hem hier be­gra­ven, zo kan ik ten­min­ste

iets doen voor mijn zoon.”

Pro­ce­du­re

De hui­di­ge ad­vo­caat van Di­nu Car­pa­ciu vroeg na­mens de va­der het moord­dos­sier op en las het de af­ge­lo­pen we­ken gron­dig door, om zo de man te hel­pen be­grij­pen wat er in de na­sleep van de moord ge­beurd is. “Ik heb het ge­voel dat de speur­ders echt wel al­les ge­daan heb­ben dat ze kon­den, met de mid­de­len die er wa­ren”, zegt ad­vo­ca­te Ni­no Dar­sa­lia. “Uit het dos­sier blijkt ook dat de brief over het af­slui­ten van het on­der­zoek in 2002 wel aan­ge­te­kend ver­stuurd is, mijn cli­ënt heeft die he­laas niet aan­ge­kre­gen.”

Op vraag van de va­der van Puia zal de ad­vo­ca­te nu een pro­ce­du­re op­star­ten bij het fonds voor slacht­of­fers van op­zet­te­lij­ke ge­weld­da­den. Dat keert een ver­goe­ding uit aan de na­be­staan­den wan­neer de da­der on­be­kend blijft. “Voor mijn client is het voor­al een vorm van er­ken­ning als slacht­of­fer”, legt Dar­sa­lia uit. Va­der Di­nu be­na­drukt ook dat het geld hem niet in­te­res­seert. “Geld heb ik niet no­dig, ik wil ge­woon zijn li­chaam”, zegt hij. De kans dat dat nog lukt is on­be­staan­de (zie ka­der).

Het feit dat hij naar ei­gen zeg­gen nooit de kans kreeg zijn zoon zelf te be­gra­ven en dat hij te wei­nig op de hoog­te ge­hou­den werd van het on­der­zoek zit va­der Di­nu zo hoog dat hij een klacht te­gen de staat wil in­die­nen. “We zul­len be­stu­de­ren of zo’n klacht zin heeft”, re­a­geert ad­vo­ca­te Dar­sa­lia.

FO­TO RR

Puia Ma­ri­nes­cu werd in 1999 gru­we­lijk ver­moord.

FO­TO SAM REYNTJENS

Di­nu Car­pa­ciu. “Puia was een lie­ve jon­gen. An­ders dan zijn leef­tijds­ge­noot­jes, hij sprak wei­nig en was rus­tig. Hij leek slim­mer dan an­de­re kin­de­ren, ou­der ook.”

Newspapers in Dutch

Newspapers from Belgium

© PressReader. All rights reserved.