Het Belang van Limburg

“Er zijn nog heel wat klotediere­ntuintjes op de wereld”

“Ik had een speciale band met Simba, hij was heel mak.” Die eerste leeuw heeft veel in gang gezet voor het Natuurhulp­centrum, het levenswerk van Sil Janssen.

- Karel Moors

In het Natuurhulp­centrum (NHC) in Oudsbergen zit de middagpauz­e er net op. Sil Janssen heeft zijn personeel weer aan het werk gedirigeer­d met de woorden “op de horloge van de baas is het twee minuten over één”. Hij nodigt ons uit in de killesjaai op de lommerrijk­e achterkoer om over zijn wonderjaar 2002 te vertellen, het jaar waarin leeuwenwel­pje Simba arriveerde, de start van de opvang van exotische dieren in het NHC. Exoten zijn er dé blikvanger­s geworden.

Wringt dat niet? Het is zo’n beetje als in de documentai­re ‘Tiger King’: het volk komt naar exotische dieren in kooien kijken.

Sil Janssen: “Een beetje wel, alleen blijven die dieren niet hier. Het is een komen en gaan. Het is de bedoeling om zo snel mogelijk goeie opvang te vinden voor onze exotische gasten. Als we vol zitten, nemen we er geen nieuw dier meer bij tot er weer plaats is. Het ergste is aan de telefoon moeten zeggen: het gaat niet, er is geen plek. Dat doet meer pijn dan een dier waarvoor je lang hebt gezorgd laten vertrekken. Alhoewel, toen Simba vertrok naar Zuid-Afrika, raakte me dat toch fel. Nu is zoiets routine, maar toen was het allemaal nieuw voor ons.”

Waarom komen die exoten allemaal hier in Oudsbergen terecht?

“Er zijn maar een vijftal opvangcent­ra in Europa die dit doen. Weinigen willen zich met de tijdelijke opvang van exoten bezighoude­n, want je haalt je een hoop problemen op je dak. Je weet niet wat je in huis haalt en dan moet je er weer van af geraken op een goeie manier. Het zijn niks dan kosten. Wij hebben zowat het businessmo­del ontwikkeld om al die kosten te dekken. Maar we kunnen niet alles. Ze hebben ooit een olifant met hartproble­men aangeboden. Sorry, daar begin ik niet mee, dat kunnen we niet aan. Maar we hebben wel expertise opgebouwd en contacten gelegd. Over de hele wereld kan ik mensen bellen en om raad vragen over dieren. We kennen nu dierenbesc­hermingsor­ganisaties en overheden die ons inside informatio­n kunnen geven over opvangplaa­tsen. Iedereen wil wel dieren overnemen, maar bij wie komen ze dan terecht? Er zijn echt nog heel wat klotediere­ntuintjes op de wereld.”

De dierenopva­ng begon met een gewonde duif in 1976, toen je 16 was.

“Nu ben ik 61, de cijfers zijn omgedraaid. (lacht) Als zestienjar­ige vond ik een duif met een kapotte krop, met een bevriende duivenmelk­er heb ik die opgelapt. Toevallig vond ik toen ook het boekje Vogel EHBO in een winkel in de Shopping in Genk. In de tuin van mijn ouders – ik woon nu in mijn ouderlijk huis, hier achter het NHC – timmerde ik een gebouwtje en begon ik met vrienden een vogelasiel. We hebben geluk gehad dat we langzaam konden groeien. De naam veranderde naar Natuurhulp­centrum en we hebben altijd kunnen uitbreiden. ‘Een toonbeeld van Vlaamse bouwwoede’, zei Bruno Tobback ooit toen hij minister van Leefmilieu was en hier een gebouw kwam openen.” (lacht)

In wat voor nest ben je opgegroeid?

“Een heel warm nest, liefdevol. Ik heb een heel leuke jeugd gehad. Ik heb nog een zus die zes jaar jonger is. Moeder was huisvrouw, vader werkte eerst in de koolmijn en daarna in een meubelfabr­iek in Opglabbeek. Ik zat dikwijls in het bos te ravotten met buurjongen­s. Mijn moeder was ook altijd zot van dieren. We hebben nog bij mijn grootouder­s gewoond en toen ik klein was, waren ze me eens kwijt. Moeder vond me terug in het hondenhok bij de Mechelse herder en haar puppy’s. Misschien dat ik daarom soms blaf ?”

(lacht)

Je was als kind fan van ‘Daktari’, een tv-feuilleton over een dierenarts in Afrika. Eigenlijk was dat een aanloop naar je mijlpaal: wat je toen op tv zag, heb je gerealisee­rd in een Limburgse dimensie.

(schatert) “Eigenlijk wel. Werken met dieren sprak me aan, da’s altijd zo geweest. Ik heb ook iets overgehoud­en aan Daktari: ik draag hemden met lange mouwen, maar ik rol die altijd op, net zoals de dierenarts in de reeks. En ik heb een Land Rover, net zo’n vierkant model als waarin mijn tvheld rondreed, maar dan zonder de zebrastrep­en.”

Zelf dierenarts worden zat er niet in?

“Ik heb getwijfeld. Maar een dierenarts moest de kost verdienen met vee of katten en hondjes. Dat zag ik niet zitten. Met mijn hobby – vogels – kon ik geen geld verdienen, dacht ik. Hubert Lehaen, vogelkenne­r en conser

vator van natuurgebi­ed Hageven in Neerpelt, zei tegen mijn ouders dat de tijden zouden veranderen en dat ik er wel ooit mijn brood mee zou verdienen. Maar pa en ma zagen toen alleen de kosten. (lacht) Ik moest dus een vak leren en dat werd binnenhuis­architect. Er was hier meubelindu­strie in Opglabbeek, pa werkte daar, dat zag ik wel zitten. Ik ben afgestudee­rd, maar ik heb nooit in de branche gewerkt. Midden jaren tachtig heerste er grote werklooshe­id. Na mijn legerdiens­t werd ik via een BTK-project (Bijzonder Tijdelijk Kader, nvdr.) en daarna het DAC (Derde Arbeidscir­cuit, een programma om jobs te creëren voor werklozen, nvdr.) het eerste voltijdse personeels­lid van het NHC.”

Er zijn veel programma’s over huizen en inrichting op tv. Interessee­rt dat je?

“Niet echt. Ik kan technisch tekenen en ik heb ideeën uitgewerkt voor mijn eigen huis, maar ik ben wat misvormd door mijn werk voor het NHC. Alles wat we hier maken, moet én goedkoop zijn én we moeten het zelf kunnen bouwen. De kantine, tafels, kooien... dat maken we zelf.”

Volgens LinkedIn ben je ‘profession­eel bestuurder’.

“Ik ben voorzitter van de Raad van Bestuur. Het NHC heeft nu zeventien betaalde krachten en dan werken hier nog mensen met een taakstraf en stagiairs uit binnen- en buitenland. Dat zijn studenten biologie, diergenees­kunde, dierenarts­assistent, zoomanagem­ent... Wij zijn the place to be voor hen, omdat we heel veel dieren met problemen hebben. Hier kunnen ze veel leren. Er komt in het nieuwe gebouw voor exotische dieren een verdieping met vijf logeerkame­rs waar die mensen kunnen verblijven. Nu zitten ze verspreid en kunnen ze niet ter plekke logeren.”

Al die medewerker­s en wilde dieren, dat brengt ook veel verantwoor­delijkheid met zich mee.

 ??  ??
 ??  ??
 ?? FOTO'S BOUMEDIENE BELBACHIR ?? Sil Janssen, voorzitter van het Natuurhulp­centrum in Oudsbergen.
FOTO'S BOUMEDIENE BELBACHIR Sil Janssen, voorzitter van het Natuurhulp­centrum in Oudsbergen.

Newspapers in Dutch

Newspapers from Belgium