De ver­e­ring van Thor

De Vi­kin­gen aan­ba­den hem, maar wie was de­ze god van de don­der?

Alles over Geschiedenis - - Inhoud -

De Vi­kin­gen aan­ba­den hem, maar wie was de­ze god van de don­der?

Tij­dens Rag­narök – in de Noord­se my­tho­lo­gie het Vi­king-equi­va­lent van de bij­bel­se Apo­ca­lyps – zul­len de go­den sa­men ten strij­de trek­ken om hun groot­ste vij­an­den het hoofd te bie­den en (spoi­ler alert): ze zul­len ver­lie­zen. Odin zal wor­den op­ge­slokt door de enor­me wolf Fen­rir; de vuur­reus Sutr ver­slaat Freyr; Heim­dallr en Lo­ki zul­len el­kaar do­den; en de mach­ti­ge Thor – hoe­wel hij eerst nog de Mid­gaard­slang ver­slaat – zal dood neer­val­len.

Ter­wijl de go­den vech­ten, zal de aar­de be­ven voor­dat ze on­der wa­ter ver­dwijnt.

De zon zal zwart wor­den en de he­mel zal bran­den. Maar daar waar het chris­te­lij­ke ein­de van de we­reld de­fi­ni­tief is, is Rag­narök cy­clisch. De pro­fe­tie ein­digt met de be­lof­te dat de we­reld op­nieuw zal ont­staan en

ver­nieuwd en vrucht­baar zal zijn. Twee men­sen zul­len de aar­de her­be­vol­ken en de go­den ke­ren te­rug.

Het sluit daar­om wel mooi aan bij de my­then dat Thor nog al­tijd voort­leeft, ook al is hij niet meer de op­per­ste god­heid die hij eens was. Zijn naam leeft voort in de vier­de dag van de week, in plaats­na­men als Don­der­slag, Thun­der­sley en Thun­drid­ge, in het che­mi­sche ele­ment tho­ri­um, en in per­soons­na­men zo­als Thórólf, Tor­s­tan en Tor­vald, die te­gen­woor­dig nog steeds wor­den ge­bruikt.

Bij veel men­sen is de don­der­god Thor te­gen­woor­dig be­ter be­kend als een van de Aven­gers in de strip­boe­ken en films van Mar­vel. Maar waar hij te­gen­woor­dig wordt neer­ge­zet als su­per­held, was hij vroe­ger een van de be­lang­rijk­ste go­den van de Vi­kin­gen. Thor was vol­gens ou­de Vi­king­bron­nen de zoon van Odin en reu­zin Jörd. Odin was de va­der van al­les, de ko­ning van het Noord­se pan­the­on, en Jörd werd ge­zien als moe­der van de aar­de (haar naam be­te­kent ook let­ter­lijk ‘aar­de’, net als Gaea in het Grieks). Thor was als kind al enorm sterk en bo­ven­dien moei­lijk op­voed­baar. Daar­om werd hij vol­gens de over­le­ve­ring op­ge­voed door twee blik­sem­gees­ten, Ving­nir en Hlo­ra. Hij groei­de uit tot een let­ter­lijk reus­ach­ti­ge man en zijn hamer Mjö­l­nir maak­te hem nog ster­ker. Zijn fa­vo­rie­te tijd­ver­drijf be­stond uit het dood­slaan van reu­zen.

Thor had nog een trek­je dat hem woest aan­trek­ke­lijk maak­te: hij was een ongeëvenaard strij­der die met zijn hamer ber­gen kon verwoesten. Als weer­god zorg­de hij daar­naast voor re­gen om de ge­was­sen te be­wa­te­ren. In de ve­le ver­tel­lin­gen waar­in Thor een rol speelt, ver­toont hij pre­cies die ka­rak­ter­trek­ken die de Vi­kin­gen het meest waar­deer­den, zo­als moed, loy­a­li­teit en le­vens­lust.

Het Noord­se schep­pings­ver­haal

Er zijn een paar be­lang­rij­ke ou­de tek­sten over­ge­ble­ven die een licht schij­nen op de ver­e­ring van go­den als Thor. Een van de be­lang­rijk­ste over­le­ve­rings­bron­nen van de Noord­se my­tho­lo­gie is de pro­zaEd­da, ge­schre­ven door de IJs­land­se ge­schied­schrij­ver Snor­ri Stur­lu­son. Maar hij was een chris­ten en schreef de ver­ha­len pas op in de twaalf­de eeuw. Daar­om staan zijn ver­tel­lin­gen van de hei­den­se sa­ga’s bol van de ge­waag­de hel­den­da­den, maar zijn

“HIJ WAS EEN ONGEËVENAARD STRIJ­DER

DIE MET ZIJN HAMER BER­GEN KON VERWOESTEN.”

ze gro­ten­deels ont­daan van hun re­li­gi­eu­ze kan­ten. Meer dan eens ont­wik­ke­len ze zich rich­ting klucht.

Hij schrijft bij­voor­beeld dat Thor naar Ut­gaard reis­de. Dat was de bui­ten­hof, een on­be­kend en on­me­te­lijk rijk ach­ter de we­reld. Slechts de ou­den wis­ten dat de mach­ti­ge Ut­gaard-Lo­ki daar heerste. Thor ont­moet­te hem een­maal, en tij­dens de­ze ont­moe­ting hield hij Thor meer­maals voor de gek. Hij daagt Thor uit om zijn drink­hoorn leeg te drin­ken, waar­in hij niet slaagt om­dat de bron van de hoorn de zee is. Ver­vol­gens vraagt hij Thor een kat op te til­len, maar hoe ho­ger Thor de kat in de lucht houdt, hoe krom­mer de rug van de kat wordt. Het blijkt uit­ein­de­lijk de Mid­gaard­slang te zijn die om de aar­de ge­kron­keld ligt. Tot slot laat hij Thor wor­ste­len met een oud vrouw­tje, en ook hier­van ver­liest hij. Dit blijkt ech­ter geen schan­de, want de vrouw is de ou­der­dom zelf en daar wordt zelfs de sterk­ste ooit door ge­veld. In nog weer een an­de­re ver­tel­ling ver­momt Thor zich als bruid om zijn hamer Mjö­l­nir te­rug te ha­len van reus Thrym.

An­de­re avon­tu­ren zijn held­haf­ti­ger, maar ook hie­rin ont­breekt el­ke re­li­gi­eu­ze con­text. Wat de aan­lei­ding ook is – een be­le­di­ging, een du­el, de dief­stal van zijn be­ruch­te hamer, of een in­val in Jo­tun­heim, het land van de reu­zen – Thor ver­slaat stee­vast een gro­te held voor­dat hij zich door een le­ger vecht van niet na­der ge­noem­de reu­zen en ze al­le­maal af­slacht.

Thors re­la­ties met de an­de­re go­den wor­den nau­we­lijks be­schre­ven. Hij is ge­trouwd met go­din Sif, met wie hij een doch­ter heeft. Ver­der heeft hij nog twee zo­nen bij an­de­re vrou­wen. Over Sif we­ten we vrij­wel niets. Mis­schien was ze een vrucht­baar­heids­go­din en ver­te­gen­woor­dig­de haar gou­den haar een over­vloe­di­ge oogst. Nog min­der we­ten we van Thors na­ge­slacht. Hun na­men be­te­ke­nen ‘kracht’, ‘sterk’ en ‘dap­per’, maar hun da­den zijn niet vast­ge­legd. Al­leen Lo­ki speelt een be­lang­rij­ke rol in de le­gen­den over Thor – hij ver­oor­zaakt pro­ble­men en wordt op­ge­slo­ten tot Rag­narök.

Ver­e­ring van de don­der­god

De ge­schie­de­nis van Thor gaat nog veel ver­der te­rug dan de Ed­da, want hij is te­rug te tra­ce­ren tot 700 jaar voor het Vi­king­tijd­perk. Ta­ci­tus, de Ro­mein­se his­to­ri­cus uit de eer­ste eeuw, schreef in zijn boek Ger­ma­nia over go­den die wer­den aan­be­den door de Ger­maan­se stam­men ten oos­ten van de Rijn.

Zo­als zo veel Ro­mein­se schrij­vers de­den, stel­de hij de Ger­maan­se op­per­we­zens ge­lijk met zijn ei­gen go­den. Vol­gens hem stond Her­cu­les bo­ven al­le an­de­re hel­den die zij be­zon­gen in hun strijd­lie­de­ren. De Ger­ma­nen noem­den de­ze god Do­nar, of­wel de god van de don­der, die net als Her­cu­les een knots droeg. Dit is waar­schijn­lijk de re­den waar­om Ta­ci­tus de twee door el­kaar haal­de. Door Donars as­so­ci­a­tie met don­der stel­den la­te­re Ro­mein­se schrij­vers hem ge­lijk met Ju­pi­ter, de wer­per van blik­sem­schich­ten. Twee eeu­wen voor de eer­ste Vi­king-over­val­len brach­ten de An­gel­sak­sen hun hei­den­se re­li­gie naar Engeland en een van hun go­den was Thunor.

Vi­king-bron­nen ver­tel­len ons ei­gen­lijk maar wei­nig over hoe de Noor­man­nen

Thor aan­ba­den. En vroe­ge chris­te­lij­ke schrij­vers, die nou niet be­paald on­par­tij­dig wa­ren, richt­ten zich lie­ver op bloed­dor­sti­ge ver­ha­len over men­sen- en die­ren­of­fers. Een van de tek­sten die wel zijn over­ge­ble­ven, is de Ey­r­byggja sa­ga. De­ze ver­haalt over de vroe­ge ko­lo­ni­sa­tie van IJs­land in de tien­de en elf­de eeuw en be­vat een zeld­za­me Noord­se be­schrij­ving van een hei­den­se tem­pel:

“Hij liet een tem­pel bou­wen en het was een mach­tig ge­bouw. Er zat een deur in de zij­muur, dich­ter­bij het uit­ein­de er­van. In de deur ston­den de pos­ten van de ho­ge stoel, met daar­in spij­kers die de Spij­kers van God wer­den ge­noemd. Daar­bin­nen was een zeer hei­li­ge plaats. Maar in het bin­nen­ste huis was nog een ka­mer, te­gen­woor­dig de­zelf­de vorm als een kerk­koor. In het mid­den van de vloer stond een ver­ho­ging als een al­taar, en daar­op lag een arm­ring van twin­tig ons, en al­les in één stuk. Man­nen zwoe­ren al hun eden hier­op. Op de ver­ho­ging stond ook de schaal voor bloed­of­fers met daar­in het bloed­tak­je – als een wij­wa­ter­kwast – dat werd ge­bruikt om het bloed van ge­of­fer­de die­ren te spren­ke­len. En rond­om de ver­ho­ging op die ge­wij­de plaats ston­den de ido­len (d.w.z. af­go­den) op­ge­steld.”

De ho­ge stoel was een soort troon. In een Vi­king­huis be­hoor­de die toe aan het hoofd van het huis­hou­den. De pos­ten van de stoel vorm­den het hart van het huis­hou­den en in som­mi­ge zou zelfs het ge­zicht van Thor ge­hou­wen zijn. In het Land­ná­ma­bók, het boek dat ook ver­haalt over de ko­lo­ni­sa­tie van IJs­land, gooi­de Tho­rolf Mostrars­kegg de pos­ten van zijn ho­ge stoel over­boord met een ge­bed aan Thor, en hij richt­te zijn nieu­we ne­der­zet­ting op, daar waar de pos­ten aan­spoel­den.

Het Fla­tey­jar­bók, het groot­ste mid­del­eeuw­se IJs­land­se ma­nu­script met voor­al sa­ga’s van Noor­se ko­nin­gen, be­na­drukt ook het be­lang van de don­der­god. Hij neemt een ere­plaats in tus­sen de af­go­den Odin en Freyr, gro­ter dan de an­de­ren en ver­fraaid met goud en zil­ver. Hij zit in een mo­del van zijn le­gen­da­ri­sche wa­gen, voort­ge­trok­ken door twee on­ster­fe­lij­ke bok­ken, met wie­len die het ge­luid van de don­der ma­ken.

Hei­den­se Vi­kin­gen

Chris­te­lij­ke schrij­vers noe­men Thor va­ker dan een van de an­de­re hei­den­se Noord­se go­den. Hoe­wel hij vaak wordt aan­be­den naast an­de­ren in het pan­the­on – voor­na­me­lijk

Odin en Freyr – neemt de god van de don­der een spe­ci­a­le plaats in.

De uit­ge­breid­ste be­schrij­ving van de re­li­gi­eu­ze ge­brui­ken van de Vi­kin­gen is af­kom­stig van de elf­de-eeuw­se Duit­se kro­niek­schrij­ver Adam van Bre­men. In Boek IV van zijn Gesta Ham­ma­bur­gen­sis ec­cle­si­ae pon­ti­fi­cum (Da­den van de bis­schop­pen van de kerk van Ham­burg) uit cir­ca 1070 – vrij laat in de Vi­king­tijd – be­schrijft hij een tem­pel in de Zweed­se hoofd­stad Gam­la Upp­sa­la (Ou­dUpp­sa­la). Op­nieuw zit Thor tus­sen Odin en Freyr op de ere­plaats. De tem­pel is be­dekt met goud en langs het dak van het ge­bouw loopt een enor­me gou­den ket­ting.

Bui­ten de tem­pel zijn een put waar­in of­fers wor­den ge­gooid en een hei­lig bos waar die­ren- en men­sen­of­fers wor­den op­ge­han­gen tij­dens het fes­ti­val dat el­ke ne­gen jaar plaats­vindt. Het hei­li­ge bos van Gam­la Upp­sa­la is on­der­deel van een lan­ge tra­di­tie. Ta­ci­tus schrijft in zijn Ger­ma­nia over hei­li­ge bos­sen, en Sint-Olaf van Noor­we­gen en ko­ning Bri­an Boru van Ier­land – bei­de vro­me chris­te­nen – ver­nie­tig­den bos­sen die voor de hei­de­nen hei­lig wa­ren.

Het ar­che­o­lo­gi­sche be­wijs voor de aan­bid­ding van Thor – en in het al­ge­meen voor hei­den­se re­li­gi­eu­ze ge­brui­ken on­der de noor­der­lin­gen – is ech­ter te­leur­stel­lend schaars. Ar­che­o­lo­gen heb­ben te­ver­geefs ge­zocht naar spo­ren van de gro­te tem­pel in Gam­la Upp­sa­la. De om­ge­ving is be­zaaid met graf­heu­vels die te­rug­gaan tot de Brons­tijd, maar er is geen spoor­tje ge­von­den van het ge­bouw dat werd be­schre­ven door Adam van Bre­men. Ook el­ders is be­wijs van de hei­den­se Vi­kin­gen he­laas niet te vin­den.

Het meest zicht­ba­re ar­che­o­lo­gi­sche be­wijs voor de Thor-cul­tus is Thors hamer-hanger,

“SOM­MI­GE HIS­TO­RI­CI DEN­KEN DAT DE HAMER-HANGER VAN THOR IS ONT­STAAN ALS TE­GEN­HAN­GER VAN HET NIEU­WE GE­LOOF.”

maar zelfs dat is min­der ge­brui­ke­lijk dan je zou den­ken. Er zijn door heel Scan­di­na­vië on­ge­veer vijf­tig voor­beel­den van ge­von­den die da­te­ren uit de ne­gen­de tot de elf­de eeuw – de­zelf­de tijd dat chris­te­lij­ke han­gers van cru­ci­fixen zich door Eu­ro­pa ver­spreid­den. Som­mi­ge his­to­ri­ci den­ken dan ook dat de hamer-hanger van Thor is ont­staan als te­gen­han­ger van het nieu­we ge­loof.

Een zeep­ste­nen mal die in De­n­e­mar­ken is ge­von­den kon zo­wel cru­ci­fixen als ha­mers pro­du­ce­ren. En een zil­ve­ren hanger die na­bij Fos­si in IJs­land werd ge­von­den kan als bei­de ob­jec­ten wor­den ge­ïn­ter­pre­teerd. Mis­schien was zijn ei­ge­naar er nog niet over uit wel­ke re­li­gie de do­mi­nan­te zou wor­den. Zo werd er in de door Vi­kin­gen over­heerste Da­ne­law van York­shi­re ook een ij­ze­ren Thor-hamer van rond het jaar 1000 ge­von­den met een in­scrip­tie die be­gint en ein­digt met een kruis. Meer­de­re ru­nen­ste­nen vra­gen Thor om een per­soon of een ge­bied te be­scher­men. An­de­re ste­nen met in­scrip­tie – waar­on­der chris­te­lij­ke krui­sen zo­als die van Gos­forth in Cum­bria – zijn ver­sierd met scè­nes uit Noord­se my­then en beel­te­nis­sen van de go­den. Thor en zijn hamer zijn ge­brui­ke­lij­ke on­der­wer­pen. Op cru­ci­fixen staan de­ze af­beel­din­gen vaak naast de krui­si­ging en an­de­re Bij­bel­se scè­nes.

Het te­ken van de hamer

Het ar­che­o­lo­gi­sche be­wijs voor de aan­bid­ding van Thor mag dan ma­ger zijn, maar de IJs­land­se sa­ga’s bie­den wel een in­te­res­sant in­kijk­je in het Noord­se re­li­gi­eu­ze le­ven. Ze ver­ha­len over fes­ti­vals met die­ren­of­fers en fees­ten ge­naamd blóts, die voor­al in de win­ter plaats­von­den. Er wa­ren ver­schil­len­de blóts, en één er­van was ge­wijd aan Freyr, ter­wijl een an­de­re weer ge­richt was op de vrij­ge­vi­ge go­din­nen die be­kend­staan als de dí­sir. Maar voor Thor was er geen der­ge­lijk feest. De thor­ra­blót, die mo­ge­lijk is ont­staan in de ne­gen­tien­de eeuw, was ge­noemd naar de maand van Thor­ri (vorst), die in de hei­den­se IJs­land­se ka­len­der duur­de van mid-ja­nu­a­ri tot half fe­bru­a­ri.

Er wa­ren veel na­men voor pries­ters – goði, gyðja, vö­l­va en seið­maðr – maar er lijkt niet een of­fi­ci­eel be­roep van pries­ter te heb­ben be­staan. In plaats daar­van tra­den ge­meen­schaps­lei­ders zo­als jarls ook op als re­li­gi­eu­ze lei­ders. De ge­bruik­te ter­men ver­wij­zen daar­bij niet naar de re­li­gi­eu­ze rang van de per­soon, maar naar de re­li­gi­eu­ze ac­ti­vi­teit waar­mee ze be­zig wa­ren.

Het te­ken van Mjö­l­nir was meer dan slechts de­co­ra­tie. De hei­de­nen maak­ten soms een ge­baar dat leek op Thors hamer als te­ken van ze­ge­ning of zui­ve­ring – ei­gen­lijk net zo­als

chris­te­nen een kruis slaan. In het ver­haal van de dood van Bal­dr ge­bruikt Thor zijn hamer om de brand­sta­pel voor de do­de god te ze­ge­nen. En in het se­mi-ko­mi­sche ver­haal van Thryms brui­loft krijgt Thor zijn ge­sto­len hamer te­rug door zich te ver­mom­men als bruid. De hamer wordt in zijn schoot ge­legd om de zo­ge­naam­de bruid in te wij­den voor het hu­we­lijk.

De Heims­kring­la (een ver­za­me­ling van Noor­se ko­nings­sa­ga’s die rond 1225 door Snor­ri Stur­lu­son zijn op­ge­schre­ven) ver­telt dat Haak­on de Goe­de, een vroe­ge chris­te­lij­ke ko­ning van Noor­we­gen, door zijn volk min of meer werd ge­dwon­gen tot het ma­ken van win­ter­of­fers tij­den een blót bij Hla­der. Toen hem de drink­hoorn werd aan­ge­reikt, sloeg hij een kruis om zich te be­scher­men te­gen de hei­den­se aard van het ta­fe­reel. Er wer­den flink wat wenk­brau­wen ge­fronst, maar een van Haak­ons vrien­den ver­de­dig­de hem. Vol­gens hem maak­te de ko­ning het te­ken van de hamer.

Hoe­wel er geen bron is die ons ver­telt hoe het te­ken van Thor pre­cies werd ge­maakt, is het door dit ver­haal aan­ne­me­lijk dat het erg leek op het slaan van een kruis zo­als chris­te­nen doen. Waar­schijn­lijk maak­te de hand een be­we­ging in de vorm van een T.

De Ara­bi­sche schrij­ver Ah­mad ibn Fad­lan ver­telt over Scan­di­na­vi­ërs die of­fers bren­gen aan af­go­den die ge­maakt zijn van “een lang

recht­op­staand stuk hout dat een ge­zicht heeft als van een man en om­ringd is door klei­ne fi­gu­ren, waar­ach­ter lan­ge sta­ken in de grond staan”, maar hij geeft geen na­men. Ge­zien Thors be­kend­heid in Vi­king-tem­pels el­ders lijkt het waar­schijn­lijk dat hij op de­ze ma­nier werd aan­be­den.

Thor was ook de­ge­ne die over eden ging. In 876 slo­ten Deen­se lei­ders in Engeland vre­de met ko­ning Alfred de Gro­te door te zwe­ren op ‘hei­li­ge rin­gen’ die in ver­band wer­den ge­bracht met de ver­e­ring van Thor – wel­licht net als met de arm­ring uit de Ey­r­byggja-sa­ga.

Na de op­komst van het chris­ten­dom

Zelfs na de op­komst van het chris­ten­dom pro­beer­den de noor­der­lin­gen de god die over het weer ging niet voor het hoofd te sto­ten. Een man ge­naamd Gau­ka­tho­ri was vol­gens het IJs­land­se Land­ná­ma­bók “erg ge­sple­ten over zijn ge­loof. Hij ge­loof­de in Chris­tus, maar riep Thor aan in za­ken van zee­vaart en pu­re nood­zaak.” Gau­ka­tho­ri zelf zou te­gen ko­ning Olaf II van Noor­we­gen heb­ben ge­zegd: “Als ik in een god moet ge­lo­ven, is het net zo goed om in een Wit­te Chris­tus te ge­lo­ven als in wie dan ook.”

Zelfs met Snor­ri’s re­li­gi­eu­ze cen­suur laat de pro­za-Ed­da Thor zien als een be­li­cha­ming van veel ei­gen­schap­pen die tra­di­ti­o­neel met de Vi­kin­gen wor­den ge­as­so­ci­eerd. Hij is een on­ge­ë­ve­naar­de strij­der, een on­ver­schrok­ken rei­zi­ger en wreekt ra­zend­snel ie­de­re be­le­di­ging aan zijn adres of aan dat van zijn AE­sir-stam. Hij eet en drinkt in he­ro­ï­sche hoe­veel­he­den en al heeft hij een kort lont­je, hij is nooit klein­zie­lig of af­gun­stig. De mees­te van zijn ex­pe­di­ties naar Jo­tun­heim wa­ren ge­mo­ti­veerd door de voor­lief­de voor een goed ge­vecht, niet door eni­ge haat ten op­zich­te van reu­zen.

Al de­ze ei­gen­schap­pen – kracht, moed, on­der­ne­mings­zin, trouw en le­vens­lust – wer­den zeer ge­waar­deerd door de Vi­kin­gen, en his­to­ri­sche lei­ders die de­ze kwa­li­tei­ten niet had­den wer­den door kro­niek­schrij­vers vaak be­kri­ti­seerd.

Thors vrij recht­lij­ni­ge be­na­de­ring van de strijd, waar­bij hij blijk­baar ge­noot van het ge­vecht, maak­te hem voor de ge­mid­del­de Noord­se krij­ger mo­ge­lijk aan­trek­ke­lij­ker om in scher­mut­se­lin­gen na te boot­sen. De rol van de on­voor­spel­ba­re Odin in ge­vech­ten was mys­te­ri­eu­zer. Hij gaf ‘ber­ser­kers’ hun le­gen­da­ri­sche ver­woes­ten­de vecht­lust en het Fla­tey­ar­bók heeft het over een soort vloek of be­to­ve­ring waar­in een hei­den­se ko­ning van Zwe­den Odin aan­roept om zijn vij­an­den in oor­log te over­win­nen.

Thor leeft voort

Niet al­leen de Au­stra­li­sche ac­teur die bui­ten­aard­se we­zens be­strijdt op het wit­te doek blaast Thor nieuw le­ven in. Ook de le­gen­de van Thor wordt door de ja­ren heen steeds op­nieuw ver­teld. Waar de chris­te­lij­ke Snor­ri Stur­lu­son nog slechts het re­li­gi­eu­ze as­pect uit Thors sa­ga’s wist, gaat het Ou­dEn­gel­se werk Sa­lo­mon and Sa­tur­nus zelfs zo ver om hem te re­kru­te­ren voor het chris­ten­dom. In dit werk raakt Thor – on­der zijn An­glo­sak­si­sche naam Thunor – de dui­vel met een vu­ri­ge bijl, net zo­als hij reu­zen met zijn hamer dood­de. Thor en de an­de­re Noord­se sa­ga’s zijn ook her­ont­dekt door li­te­rai­re groot­he­den zo­als Hen­ry Wads­worth Long­fel­low, Ru­dy­ard Ki­pling, JRR Tol­kien, Neil Gai­man en JK Row­ling.

In de beel­den­de kunst her­in­ter­pre­teert de Zwit­ser­se schil­der Hen­ry Fu­se­li de god­heid met olie­verf op can­vas in zijn ne­o­klas­sie­ke naakt Thor in ge­vecht met de Mid­gaard­slang uit 1790. De Zweed­se his­to­ri­sche schil­der Mår­ten Es­kil Win­ge beeldt de sa­ga’s meer let­ter­lijk af in Thors Ge­vecht met de Reu­zen uit 1872. Hie­rin rijdt de don­der­god op een wa­gen voort­ge­trok­ken door gei­ten. Hij maakt ook zijn op­wach­ting in het mag­num opus Der Ring des Ni­be­lun­gen van Ri­chard Wag­ner.

In 1962 werd Thor nog­maals tot le­ven ge­wekt door stripau­teur Stan Lee en kun­ste­naar Jack Kir­by. Maar ter­wijl Mar­vel strips en films blijft pro­du­ce­ren, lijkt het er­op dat de don­der­god een lan­ge­re le­vens­duur heeft dan al­le an­de­re Aven­gers – en hij zal hen al­le­maal over­le­ven.

In­ter­pre­ta­tie van een kun­ste­naar van het mo­ge­lij­ke in­te­ri­eur van de tem­pel van Upp­sa­la.

Een ge­beeld­houw­de Vi­king­graf­steen met een deel van het Noord­se pan­the­on.

Arthur Rack­ham in il­lu­streer­de Thor 1910 in scè­nes uit Rheingold en Die Das Walk­ü­re van Ri­chard Wag­ner.

Een il­lu­stra­tie van Thor die de Mid­gaard­slang uit de 13e-eeuw­se po­ë­ti­sche Ed­da be­strijdt.

De Al­tu­na-steen uit Zwe­den die Thors vis­uit­je weer­geeft.

Ta­lis­man­nen De­ze ge­luks­bren­gers had­den vaak de vorm van Thors hamer.

Han­gers Hout­snij­werk van Mjö­l­nir werd ge­bruikt als han­gers om de aan­bid­ding van de don­der­god te to­nen.

Een il­lu­stra­tie van Thor uit een 18e-eeuws IJs­lands ma­nu­script.

Scan­di­na­vi­ërs bren­gen of­fers bij een hou­ten beeld van Thor.

Een 8e-eeuw­se bron­zen pla­quet­te laat zien hoe Thor vist op de Mid­gaard­slang.

Newspapers in Dutch

Newspapers from Netherlands

© PressReader. All rights reserved.