De be­schil­der­de krij­gers

Alles over Geschiedenis - - Het Terracottaleger -

De ter­ra­cot­tasol­da­ten heb­ben te­gen­woor­dig de kleur van klei en grond. Dat geldt ook voor de re­pro­duc­ties die je kunt ko­pen als toe­rist. Het lijkt een au­then­tie­ke kleur, maar fei­te­lijk klopt het niet. De fi­gu­ren wa­ren oor­spron­ke­lijk in le­ven­di­ge kleu­ren ge­schil­derd. De kleur is er ge­du­ren­de de eeuwen door aar­de af­ge­schuurd. In de tijd van Eer­ste Kei­zer hiel­den de rij­ken en mach­ti­gen van fel­le kleu­ren, want pig­men­ten wa­ren duur en dus sym­bo­len van luxe. Over­ge­ble­ven rest­jes kleur ge­ven een in­kijk in het ori­gi­ne­le ui­ter­lijk van de fi­gu­ren.

De ge­zich­ten wa­ren ro­ze en hun uni­for­men wa­ren ge­schil­derd in rood, groen, bruin en een bij­zon­der Chi­nees paars (een mix van ba­ri­um, ko­per, kwarts en lood.)

De tom­be van de kei­zer

De vre­de had wel één groot bij­ef­fect. Het enor­me le­ger van de kei­zer, mil­joe­nen sol­da­ten uit al­le ze­ven rij­ken, was niet lan­ger no­dig. Er moest iets met de ve­le sol­da­ten ge­beu­ren, an­ders zou­den ze in op­stand ko­men. Het le­ger werd daar­om ge­bruikt als werk­macht. Ze moesten enor­me bouw­pro­jec­ten af­ma­ken, zo­als meer dan 6000 ki­lo­me­ter we­gen, een half do­zijn ko­nink­lij­ke pa­lei­zen, en na­tuur­lijk het eer­ste deel van de Chi­ne­se Muur.

Een van de grootste bouw­pro­jec­ten van de Eer­ste Kei­zer was zijn ei­gen tom­be, vlak­bij de ou­de hoofd­stad Xi­an, ge­le­gen aan de voet van een hei­li­ge berg. Vol­gens de do­cu­men­ten werk­ten er 700.000 men­sen aan de tom­be, hoe­wel 40.000 een waar­schijn­lij­ker aan­tal is. Ze moesten een jaar gra­ven om de kuil voor de tom­be te ma­ken. Na zijn dood zou de kei­zer er be­gra­ven wor­den, waar­na het graf be­dekt werd met de ke­gel­vor­mi­ge heu­vel die er te­gen­woor­dig nog al­tijd te zien is. Met vijf­tig me­ter hoog en 350 me­ter lang aan el­ke kant is hij ver­ge­lijk­baar met de Grote Pi­ra­mi­de van Che­ops, zij het van aar­de en niet van steen.

Waar was de enor­me tom­be goed voor? Net al bij de Ou­de Egyp­te­na­ren was het ant­woord sim­pel: een le­ven na de dood. De kei­zer was, net als de maat­schap­pij waar­in hij leef­de, ge­ob­se­deerd door dit be­gin­sel. Hij ge­loof­de dat het hier­na­maals een af­spie­ge­ling was van de­ze we­reld en dat een do­de be­ken­de voor­wer­pen om zich heen moest heb­ben om een le­ven te kun­nen her­schep­pen. Een rij­ke, mach­ti­ge per­soon had dus een grote tom­be no­dig, ge­vuld met graf­gif­ten zo­als strijd­wa­gens, wa­pens, die­ren en be­dien­den. Die laat­ste wa­ren er zo­wel echt, ge­dood en be­gra­ven met hun mees­ter, als in mo­del­vorm. De­ze le­vens­ech­te beel­den zou­den op ma­gi­sche wij­ze tot le­ven ko­men in de gees­ten­we­reld. Al­les was zo ont­wor­pen om het le­ven van de kei­zer op aar­de na te boot­sen: de re­ge­ring, ban­ket­ten, ver­maak, de jacht en na­tuur­lijk veld­sla­gen.

De tom­be zelf was waar­schijn­lijk be­doeld als mo­del van het Qin-rijk. De ri­vie­ren wer­den ver­te­gen­woor­digd door stro­mend kwik, het dak was de nach­te­lij­ke he­mel en het ge­heel werd ver­de­digd met kruis­bo­gen die klaarston­den om op in­drin­gers te schie­ten. Dit klinkt al­le­maal on­waar­schijn­lijk, maar in 1982 on­der­zoch­ten ar­che­o­lo­gen de tom­be door op 560 plaat­sen te bo­ren. Ze von­den daar­bij de con­tou­ren van een ge­bouw en klei­ne spoor­tjes kwik. De tom­be blijft ech­ter voor het grootste deel ge­slo­ten en niet on­der­zocht, zo­dat de waar­heid ver­moe­de­lijk ver­bor­gen zal blij­ven.

De kei­zer had in de gees­ten­we­reld na­tuur­lijk ook een le­ger no­dig en daar­om gaf hij op­dracht om iets unieks te ma­ken. Hij liet hon­der­den kun­ste­naars dui­zen­den le­vens­ech­te beel­den van sol­da­ten ma­ken. Ze wa­ren al­le­maal kleu­rig be­schil­derd en be­wa­pend met echt bron­zen wa­pens. Het me­ren­deel van dit werk moet ge­beurd zijn voor de dood van de kei­zer, die in 210 v.Chr. over­leed op zijn vijf­tig­ste. Voor zijn be­gra­fe­nis haast­ten tien­dui­zen­den ar­bei­ders zich om de laat­ste hand te leg­gen aan de tom­be en de ve­le klei­ne­re gra­ven. De ter­ra­cot­tasol­da­ten wer­den in drie grote kui­len ge­plaatst op zo’n an­der­hal­ve ki­lo­me­ter af­stand van de tom­be. Ze zijn goed be­wa­pend, met spe­ren, lan­sen, zwaar­den en kruis­bo­gen en op­ge­steld in een pa­ra­de­for­ma­tie, klaar om het rijk van hun mees­ter te ver­de­di­gen te­gen bin­nen­val­len­de gees­ten. De kui­len zijn ne­gen me­ter

“Om zich van de over­win­ning te ver­ze­ke­ren, ver­an­der­de hij zijn land

in een oor­logs­ma­chi­ne.”

diep en over­dekt met 6000 hou­ten bal­ken die elk 500 ki­lo we­gen. De bal­ken wer­den be­dekt met mat­ten, waar­na er drie me­ter aar­de over­heen werd ge­gooid.

Daar­na raak­te het le­ger ver­ge­ten. Ze zijn nooit ge­no­teerd in do­cu­men­ten en his­to­ri­cus Si­ma Qi­an noemt ze niet in zijn wer­ken. Na een paar ge­ne­ra­ties wist nie­mand meer dat ze beston­den, me­de door de cha­o­ti­sche bur­ger­oor­log die het Qin-rijk na de dood van de Eer­ste Kei­zer uit­een scheur­de.

Het ge­bro­ken le­ger

Toen de boe­ren in 1974 het le­ger ont­dek­ten, was dat dan ook een enor­me ver­ras­sing. De vol­gen­de ver­ras­sing volg­de toen ar­che­o­lo­gen aan het werk gin­gen: er was geen en­ke­le sol­daat in­tact. Ze wa­ren stuk voor stuk ka­pot. De ten­toon­stel­ling die nu te zien is, is het re­sul­taat van ij­ve­ri­ge re­con­struc­tie. Tot nu toe zijn er meer dan 1000 fi­gu­ren her­steld. De rest is nog be­gra­ven en kan pas her­steld wor­den als er be­te­re tech­nie­ken zijn om ze te con­ser­ve­ren. Het is on­be­kend

hoe­veel sol­da­ten er in to­taal zijn. De schat­tin­gen lig­gen tus­sen de 7000 en 8000, sa­men met 670 paar­den. Dat is na­tuur­lijk niet ge­noeg voor een mo­del van een le­ger. Het echte le­ger van de Qin-kei­zer tel­de tien­dui­zen­den sol­da­ten, dus mis­schien zijn er nog veel meer fi­gu­ren te ont­dek­ken. Ar­che­o­lo­gen blij­ven im­mers nieu­we din­gen vin­den: paar­den­ge­raam­tes, tom­bes van amb­te­na­ren, an­de­re soor­ten ter­ra­cot­ta­fi­gu­ren, bron­zen vo­gels en twee prach­ti­ge strijd­wa­gens op hal­ve groot­te, in­clu­sief paar­den en men­ners.

Toch blij­ven de sol­da­ten­beel­den de show ste­len. Maar de vraag rijst waar­om ze al­le­maal ka­pot wa­ren. Van de dui­zen­den fi­gu­ren is er geen en­ke­le in­tact ge­ble­ven. Aan­ge­zien de aar­de bo­ven­op de kui­len hard­ge­bak­ken was, moet er brand ge­weest zijn. Maar hoe is de­ze brand be­gon­nen en waar­om bra­ken al­le fi­gu­ren?

Het ant­woord vergt wat speur­werk. Mo­ge­lijk had de brand te ma­ken met de op­stand die te­gen de Qin-dy­nas­tie op gang kwam na de dood van de Eer­ste Kei­zer. Er brak een bur­ger­oor­log uit die acht jaar zou du­ren voor­dat de Han-dy­nas­tie aan de macht kwam in 202 v.Chr. In een film die toe­ris­ten te zien krij­gen in het Ter­ra­cot­ta­le­ger­mu­se­um in Xi­an is te zien hoe op­stan­di­ge sol­da­ten de deu­ren van het graf open­bre­ken en de boel aan­ste­ken. Maar er wa­ren he­le­maal geen deu­ren en zo’n mas­sa­le in­braak heeft nooit plaats­ge­von­den. Er is ook geen be­wijs voor een af­gra­ving van het dak. Er was dus geen zuur­stof om vuur gaan­de te hou­den en dat is het grote mys­te­rie: er was brand, zonder brand­stof.

Het vol­gen­de is een mo­ge­lij­ke ver­kla­ring. Het rijk viel uit­een en een re­bel­len­le­ger na­der­de het graf zonder dat er een le­ger was om hen te­gen te hou­den. His­to­ri­cus Ban Gu schreef twee­hon­derd jaar la­ter dat Qin-ge­ne­raals ad­vi­seer­den om de dui­zen­den wer­kers bij de tom­be van wa­pens te voor­zien en te la­ten vech­ten in ruil voor hun vrij­heid. De op­mars van het re­bel­len­le­ger stop­te, net als het werk aan de tom­be van de Eer­ste Kei­zer. Dat ver­klaart waar­om drie kui­len ge­vuld zijn met fi­gu­ren en een vier­de kuil nog leeg is.

In Lin­tong hoor­den de re­bel­len over het terracottaleger van de haas­tig in­ge­lijf­de wer­kers. In 206 v.Chr. kwa­men de sol­da­ten, na­dat ze de kei­zer­lij­ke pa­lei­zen had­den ge­plun­derd en plat­ge­brand, aan bij de tom­be. Ze wa­ren op zoek naar meer plun­der­goed. De enor­me tom­be van de kei­zer zelf was te las­tig, maar het terracottaleger had ook iets waar­de­vols: echte wa­pens.

Er was geen tijd om het he­le dak af te gra­ven en de bal­ken te ver­wij­de­ren. De snel­ste ma­nier

was om recht om­laag te gra­ven. Daar is be­wijs voor: er loopt een klei­ne schacht langs het bal­ken­dak de ka­mer in. De schacht is on­ge­veer een me­ter in door­snee, breed ge­noeg voor één per­soon en om wa­pens door te ge­ven naar bo­ven.

Brand in de schat­ka­mer

Stel je voor hoe de eer­ste re­bel­len­sol­daat de ka­mer bin­nen­komt. Hij ziet niets en vraagt om een fak­kel. Bij het flik­ke­ren­de vuur ziet hij de front­li­nie van prach­tig ge­schil­der­de sol­da­ten, met ro­ze ge­zich­ten en fel­ge­kleur­de uni­for­men. De sol­da­ten staan in lan­ge rij­en, zo ver als de re­bel in het duis­ter kan kij­ken. En ze heb­ben stuk voor stuk goed ge­maak­te wa­pens. Voor ge­brek­kig uit­ge­rus­te sol­da­ten is het een schat­ka­mer.

An­de­re sol­da­ten glij­den door de schacht de ka­mer bin­nen en ze waai­e­ren uit door de op­stel­ling van ter­ra­cot­ta­fi­gu­ren. Ze graai­en wa­pens bij el­kaar en ge­ven ze door naar bo­ven. “Er is geen be­wijs voor sys­te­ma­ti­sche ver­nie­ling van de fi­gu­ren”, al­dus mi­li­tair ar­che­o­loog Yu­an Zhon­gyi. “Maar er zijn wel res­ten van krij­gers ge­von­den die in een zig­zag­pa­troon zijn ge­val­len, ver­moe­de­lijk door­dat men­sen er door­heen lie­pen.”

Dan ge­beurt er iets waar­door de in­braak af­ge­bro­ken moet wor­den: brand – door een fak­kel naast een hou­ten pi­laar of mis­schien een van de hou­ten strijd­wa­gens. Voor de vol­gen­de mi­nu­ten moe­ten we ver­trou­wen op de ken­nis van mo­der­ne brand­pre­ven­tie-ex­perts. Joe Lal­ly, in­ge­ni­eur bij de Ame­ri­kaan­se over­heid, maak­te een com­pu­ter­mo­del van de brand. Het pro­bleem was, dat er geen uit­gang was voor de rook. Bin­nen vier mi­nu­ten moet de ka­mer blauw heb­ben ge­staan, waar­door de in­bre­kers naar hun uit­gang moesten krui­pen. Daar­bij vie­len nog meer fi­gu­ren aan dig­ge­len. Er wa­ren maar een paar mi­nu­ten om te ont­snap­pen en er kan maar één in­bre­ker te­ge­lijk om­hoog via de schacht. Er zijn geen ver­kool­de ske­let­ten ge­von­den, dus ie­der­een is ont­ko­men.

De brand zelf is een bij­zon­der ge­val. Fei­te­lijk is er een zuur­stof­bron no­dig om te blij­ven bran­den, maar de klei­ne schacht van de die­ven le­vert niet ge­noeg. De vlam­men had­den dus moe­ten do­ven, maar toch we­ten we dat de kui­len ver­nie­tigd zijn door vuur. Hoe kan dit? Ver­moe­de­lijk was het vuur ver­ge­lijk­baar met een steen­kool­brand. Zo’n brand start meest­al door een bos­brand of blik­sem­in­slag en smeult langs een on­der­grond­se ader steen­kool ver­der. Er be­staan dui­zen­den van zul­ke bran­den en ze gaan heel lang­zaam. On­der het stad­je Cen­tra­lia in Pen­n­syl­vania woedt al een hal­ve eeuw zo’n brand en zal ver­moe­de­lijk nog 250 jaar door­smeu­len.

In de hoofd­kuil van het terracottaleger wa­ren de vlam­men al­lang uit, maar het vuur had een weg ge­von­den ín het pla­fond. Hier lek­te ge­noeg zuur­stof bin­nen door de grond om de smeu­len­de brand le­vend te hou­den. Op een be­paald mo­ment breekt er een ver­kool­de balk, die met een la­ding aar­de om­laag stort. Een aan­tal sol­da­ten bre­ken.

Zo gaat het pro­ces ja­ren door. Strijd­wa­gens en boog­schut­ters wor­den ver­plet­terd naar­ma­te meer de­len van het pla­fond in­stor­ten. De hol­te wordt op­ge­vuld door re­gen en mod­der, tot­dat er geen spoor over­blijft van het le­ger. En dan vin­den de ge­broe­ders Yang tien­tal­len eeuwen la­ter een ‘grond­god’.

Newspapers in Dutch

Newspapers from Netherlands

© PressReader. All rights reserved.