JA­MES WORT­HY FIER FIER TWEE

FourFourTwo (Netherlands) - - Volgend Nummer -

Mijn vader, mijn zoon en ik staan op het gras van An­field. Al­le drie op blo­te voe­ten. We wil­len het gras voe­len en de nat­tig­heid die op on­ze voe­ten ach­ter­blijft mee te­rug naar huis ne­men in on­ze sok­ken. Mijn vader wijst naar een plek op de tri­bu­ne waar hij vroe­ger al­tijd met zijn vrien­den stond. Ik sluit mijn ogen en kan hem zien staan. Mijn vader toen hij zelf nog een zoon was. Hij staat met drie vrien­den op één vier­kan­te me­ter. Ze staan zo dicht op el­kaar dat mijn vader vier har­ten kan voe­len klop­pen.

Mijn zoon rent rond­jes op het hei­lig­ste gras, maar voor hem is het ge­woon gras. Hij be­grijpt wel dat we in een voet­bal­sta­di­on zijn, maar hij be­grijpt nog niet dat dit ons sta­di­on is. Dat dit thuis is. Dat de hoek­vlag­gen on­ze gor­dij­nen zijn, de doel­pa­len on­ze kle­ding­kast en het gras ons ma­tras. Hier wor­den bij­na al on­ze dro­men ge­bo­ren. Hier zag mijn vader al zijn hel­den voet­bal­len en ik die van mij. Hier zag ik Mc­ma­na­man, Fow­ler, Owen, Kuyt, Cou­t­in­ho, Suárez, Tor­res en Ger­rard.

Het gras kie­telt niet als ik er op mijn blo­te voe­ten over­heen loop. Het be­looft din­gen. Het stelt me ge­rust als de hand van mijn moe­der die door mijn haar gaat.

Mijn zoon zit in het gras en mijn vader gaat naast hem zit­ten. Ze zit­ten op de plek waar Mo­ha­med Sa­lah veel­al de bal krijgt aan­ge­speeld. Mo­ha­med Sa­lah, al­leen al als ik zijn naam lees, gie­chel ik als een acht­ja­rig paar­den­meis­je. Je hebt goe­de voet­bal­lers, je hebt heel goe­de voet­bal­lers en je hebt voet­bal­lers die je ge­luk­kig ma­ken.

Ik kijk naar de an­de­re kant van het veld. Daar waar Fir­mi­no de 3-2 te­gen PSG maak­te. Maar ik zie ook de min­de­re din­gen. Ik zie Char­lie Adam over het veld hob­be­len. Een voet­bal­ler die voet­bal­de zo­als mijn vader whats­appt. En ik zie Andy Car­roll staan. Li­ver­pool be­taal­de voor ka­vi­aar, maar kreeg een half be­vro­ren vis­stick met een paar­den­staart.

Heel even­tjes kijk ik naar de plek waar Ste­ven Ger­rard in 2014 uit­gleed te­gen Chel­sea. De plek die al­les ver­an­der­de. De plek die voor­goed pijn doet. Er zit nog steeds een bloed­uit­stor­ting op dat klei­ne stuk­je gras.

Dan kijk ik weer naar de plek op de tri­bu­ne waar mijn vader vroe­ger met zijn vrien­den stond. He­le­maal links in de bo­ven­hoek. In de win­kel­haak van de tri­bu­ne. Daar stond hij. Met wat klein­geld van zijn vader in zijn zak. Van dat geld mocht hij wat te eten ko­pen in de rust, maar hij haal­de er bier van na de wed­strijd.

We trek­ken on­ze schoe­nen weer aan en lo­pen de spe­lers­tun­nel in. Mijn vader tilt mijn zoon op en zegt dat hij het “This is An­field”-bord­je aan moet tik­ken. Mijn zoon vraagt waar­om.

“Om­dat je dan een ijs­je krijgt”, zeg ik. Zo stond mijn vader ooit ook met mij in zijn ar­men. Ook ik moest het bord­je aan­tik­ken. Ik tik­te en toen was er geen weg meer te­rug. Ik zou nooit meer van club kun­nen ver­an­de­ren. Op die be­wus­te dag is de club mijn ach­ter­naam ge­wor­den.

Ik strek mijn rech­ter­arm uit en klop op het bord­je. Het bord­je klopt te­rug. In de ver­te zie ik mijn vader en mijn zoon lo­pen. Dit is de mooi­ste dag van mijn le­ven. Dit is de mooi­ste club van de we­reld. Mijn zoon kijkt even­tjes om. Hij ziet me lo­pen. Met de borst voor­uit en de tra­nen naar be­ne­den.

Ze staan zo dicht op el­kaar, dat mijn vader vier har­ten kan voe­len klop­pen.

Newspapers in Dutch

Newspapers from Netherlands

© PressReader. All rights reserved.