‘Geen zor­gen: sinds de Télé­po­li­ce hier waakt, is er niets ergs meer ge­beurd’

Nooit meer! Te mij­den! Wat een huf­ter ach­ter de ba­lie! Als je Tri­va­go mag ge­lo­ven, de si­te waar rei­zi­gers hun er­va­ring met ho­tels de­len, dan wordt er in Bel­gië meer dan een Fawl­ty To­wers uit­ge­baat. We check­ten in bij de vijf ho­tels die de slecht­ste op­merk

Het Nieuwsblad - - NIEUWS -

Het ge­luk is aan mijn kant. Het is be­gin ju­li en de na­tie kreunt on­der een hit­te­golf. Bas­se Sam­bre heeft geen air­co en zet dan maar al­le ra­men en deu­ren wijd open. Al­le geur­tjes waai­en weg. Wel na­druk­ke­lijk aan­we­zig: de me­de­de­lin­gen dat ‘Télé­po­li­ce’ ons in de ga­ten houdt. ‘Wij in­for­me­ren jul­lie dat dit sys­teem kan ge­la­den zijn met vi­deo­be­wa­king en dat de beel­den di­rect naar de po­li­tie kun­nen wor­den door­ge­zon­den.’ Het boost niet met­een het vei­lig­heids­ge­voel. En toch is het ho­tel flink be­klant, te oor­de­len aan de bij­na vol­le par­king. Men­sen met een vroe­ge vlucht van­uit Char­le­roi boe­ken hier. En schrij­ven dan com­men­ta­ren over hoe vuil het ho­tel is. Maar dat chec­ken we straks, eerst zelf in­chec­ken. De in­gangs­deur staat breed open, dat geeft toch een béé­tje het ge­voel dat je hier wel­kom bent. Al wordt dat met­een ge­nekt door een nieuw waar­schu­wings­bord­je op die deur: ‘Om vei­lig­heids­re­den heeft de re­cep­ti­o­nist maar 50 eu­ro in kas. Be­dankt voor uw be­grip.’

De strui­se strij­ker

De re­cep­ti­o­nist zit niet ach­ter zijn toog­je. Hij zit in de eet­zaal, ach­ter een zwa­re ma­chi­ne waar­mee hij het ta­fel­lin­nen aan het strij­ken is. Een gro­te, vrien­de­lij­ke, strui­se jon­gen. En toch zo aan­doen­lijk ge­con­cen­treerd aan het strij­ken. De we­reld is het mooist in haar de­tails. Toch even ge­vraagd of het wel vei­lig is, dit ho­tel? ‘U hebt die bord­jes van de Télé­po­li­ce ge­le­zen?’, vraagt de strui­se strij­ker. ‘Die zijn ei­gen­lijk niet be­doeld voor de klan­ten. Maar voor on­ze vei­lig­heid, van het re­cep­tie­per­so­neel. In het ver­le­den zijn hier vaak din­gen ge­beurd. Ge­weld­toe­stan­den en zo. Daar­om heb­ben we dat sys­teem met de Télé­po­li­ce. We hoe­ven nu maar op een knop te druk­ken en de po­li­tie ziet met­een wat hier ge­beurt. Zij kan op ba­sis van de beel­den be­slis­sen of en met hoe­veel man ze af­ko­men. Maar maak je geen zor­gen. Sinds we dit sys­teem zo dui­de­lijk af­fi­che­ren, is er niets ergs meer ge­beurd.’ Mijn re­ser­va­tie is snel ge­von­den in de com­pu­ter. ‘53 eu­ro, als­je­blief’, vraagt de re­cep­ti­o­nist. Ik wacht nog even. Want er moet toch meer ko­men. In al­le an­de­re slecht­ste ho­tels van het land kwam er al­tijd iets bo­ven­op: stad­s­tak­sen, een toe­slag wan­neer je met de kaart be­taalt of iets voor de ho­tel­par­king. Hier niets? ‘Neen, niets. Zelfs het ont­bijt zit in die prijs’, zegt de re­cep­ti­o­nist, die naar de ont­bijt­zaal wijst. Hoe kan het an­ders: ook hier hangt een brief­je: ‘Ver­bo­den voed­sel uit de ont­bijt­zaal mee te ne­men naar je ka­mer.’ Het is al laat en ik zit zo ver van de stad. Aan de ont­bijt­zaal han­gen ook fo­to’s van piz­za’s en spa­ghet­ti’s. Die kan je hier be­stel­len, maar en­kel in je ka­mer op­eten. Oké: een piz­za, een blik spuit­wa­ter en een fruit­slaatje be­steld, sa­men 9,50 eu­ro. Nu op naar de ka- mer. Het is als­of ik nog een slag­wa­pen mee­krijg. Zo groot is de sleu­tel­han­ger: 15 cen­ti­me­ter lang en 5 cen­ti­me­ter dik. Ook daar­over kla­gen veel re­cen­sies. ‘Je kan de sleu­tel niet in je broek­zak ste­ken, zo’n mon­ster.’

Geen ant­woord op mail

De baas van het ho­tel leest die in­ter­net­re­ac­ties ook. ‘Ah, je hebt al­tijd kla­gers. Wan­neer ik hen te­rug­mail, krijg ik nooit een ant­woord. On­langs moest een kla­ger be­ken­nen dat hij hier nooit over­nacht heeft. Dit ho­tel is veel ou­der dan het in­ter­net. Sinds die si­tes heb­ben we wel wat min­der klan­ten, maar dat geldt voor heel de hotel­sec­tor van Char­le­roi. De te­rug­val komt ze­ker niet door die on­li­ne com­men­ta­ren.’ De mees­te klan­ten kla­gen over si­ga­ret­ten­geur. Aan de bui­ten­kant van mijn ka­mer hangt – al­weer – een brief­je. Een ver­bods­bord dat zegt dat hier niet mag wor­den ge­rookt. In an­de­re ka­mers mag dat wel nog. Vreemd hoor, hoe ze hier met het rook­ver­bod om­gaan. Ty­pisch Bel­gisch ab­sur­dis­me: in al­le gan­gen han­gen de as­bak­ken nog aan de mu­ren, met daar­bo­ven een zelf­kle­ver met een door­streep­te si­ga­ret. ‘Zie het als een grap­je’, zegt de baas, ‘zo­als die te­le­foon­cel in de re­cep­tie. Er hangt al lang geen te­le­foon meer in.’ Mijn ka­mer­tje is Spar­taans. Een dub­bel bed, een plank­je om te schrij­ven en een stoel met een vie­ze zit­ting. Er is zelfs niet ge­ïn­ves­teerd in een schil­de­rij­tje of een prent­je met een fraai ver­ge­zicht. Maar na­tuur­lijk hangt er weer een streng brief­je aan de deur. Dat zegt dat het ver­bo­den is de hand­doek uit de ka­mer mee te ne­men. En dat ik de ka­mer net­jes moet hou­den, an­ders zul­len ze mijn vol­gen­de re­ser­va­ties wei­ge­ren. Dat lees ik in twee ta­len: Frans en En­gels. Dan moe­ten ze toch eerst zelf de ka­mer pro­per aan­bie­den. Ach­ter de deur ligt een dik­ke streep stof.

Schim­mel?

Dat de bad­ka­mer een gron­di­ge schrob­beurt zou ver­dra­gen, wist ik al van de in­ter­net­com­men­ta­ren. Die heb­ben ook ge­lijk wan­neer ze schrij­ven dat je de gla­zen schuif­deu­ren van de dou­che zo in je han­den hebt. En bwè­è­èk, wat is dat daar aan de rand van de was­ta­fel? Schim­mel? Net wan­neer ik er dich­ter naar­toe buig, klopt de re­cep­ti­o­nist op de deur: ‘Uw piz­za, me­neer. Nee, niet klaar­ge­maakt in de mi­cro­golf, maar in on­ze vuur­oven. Eet sma­ke­lijk.’ Het is geen weer om ons kwaad te ma­ken of een an­der mens te­recht te wij­zen. Ook om­dat dit de goed­koop­ste ka­mer is van de vijf ho­tels die ik be­zocht. Al hou­den we nog even een slag om de arm, want over het ont­bijt schrij­ven ze ook le­lijk op het in­ter­net. ’s Mor­gens spreek ik de baas over zijn ont­bijt. Krijg ik ook be­schim­mel­de brood­jes zo­als een vo­ri­ge klant? De baas maakt een weg­werp­ge­baar. ‘Ik zou niet we­ten waar die het over heeft. We ser­ve­ren vers brood. Het eni­ge waar de klan­ten soms ge­lijk in had­den, is de geur­hin­der. Maar sinds we het per­so­neel op­dracht ga­ven de ka­mers te ver­luch­ten, is ook dat pro­bleem van de baan. Ik laat u nu ont­bij­ten.’ Het smaakt. De keu­ze is ruim, de toe­stand vers. Niet dat ik hier nog te­rug­keer, maar voor die prijs zou ik het ook niet met­een af­ra­den.

In de ka­mer hangt een brief­je dat zegt dat ik de ka­mer net­jes moet hou­den, an­ders zul­len ze mijn vol­gen­de re­ser­va­ties wei­ge­ren. Dan moe­ten ze toch eerst zelf de ka­mer pro­per aan­bie­den

Over­al han­gen ‘ge­rust­stel­len­de’ bord­jes: hier waakt de Télé­po­li­ce. De as­bak­ken han­gen on­der een zelf­kle­ver met een door­streep­te si­ga­ret. ‘Een grap­je’, zegt de baas. Mijn avond­maal van 9,5 eu­ro: een piz­za, een blik­je spuit­wa­ter en een fruit­slaatje. Nog een brief­je: geen eten in de ka­mer bren­gen. Ten­zij je avond­eten, dat mag je ner­gens an­ders op­eten.

Newspapers in Dutch

Newspapers from Belgium

© PressReader. All rights reserved.